
Johannes Vermeer (1632
– 1675) "Het schildersatelier" 1666 - 1673
Binnenkijken in beroemde ateliers.
In feiten zijn er net zoveel ateliers dan er kunstenaars zijn. Laten we een kleine (tijd)reis maken en in vogelvlucht een aantal ateliers bezoeken.
U kunt dit artikel van begin tot einde lezen, in dat geval staan de verschillende kunstenaars(ateliers) chronologisch gerangschikt. Via onderstaan de index kunt u echter ook rechtstreeks naar een bepaalde kunstenaar toe.

Leonardo da Vinci/ Andrea del Verrocchio (1435 – 1488)
"De doop van Christus"
Andrea del Verrocchio (1435 – 1488)
- Leonardo da Vinci (1452 - 1519)
In 1469 begon Leonardo da Vinci als leerling in het atelier van de beeldhouwer
en schilder Verrocchio (ook wel bekend als Andrea di Francesco di Cione). Dit atelier
(of bottega) bestond uit verschillende zalen waarin het daglicht door
het dak naar binnen viel. In de grootste zaal werd gesmeed en ook werden er
beelden gemaakt. In een andere zaal stonden gipsen modellen die de leerlingen
moesten natekenen. In weer een andere zaal werd geschilderd. In het atelier werd
geleefd, gewerkt en lesgegeven. Leonardo was 17 toen hij in het atelier van
Verrocchio begon. Hij begon hier met model tekenen. Beetje bij beetje kreeg hij
meer taken. Hij mocht een van de twee engelen en de achtergrond schilderen van
het schilderij "De doop van Christus". Al snel was de leerling beter
dan de meester.

Albrecht Dürer "Tekenaar" (houtgravure)
Michael Wolgemut (1433/34 -
1519) - Albrecht Dürer (1471 - 1528)
Nadat Albrecht Dürer op een "eenvoudige" school had leren lezen,
schrijven en rekenen, kwam hij rond 1484 als dertien jarige in de goudsmederij
van zijn vader in de leer. De geconcentreerde precisie van de in metaal
gegraveerde vormen zullen we later in zijn kopergravures terug zien. Maar zoals
hij zelf schreef; "Mijn hartstocht dreef me naar de schilderkunst." In
1486 gaat hij als leerling naar een van de meest gerenommeerde en best geleide
ateliers van zijn tijd; dat van Michael Wolgemut (1433/34 - 1519).

Dürer portret van zijn leermeester Michael Wolgemut 1516
Deze werkplaats was een grote onderneming. Het repertoir omvatte vrijwel alle technieken; (beuken)houtgravures, ontwerpen voor kunstnijverheid en glaskunst en naast altaarstukken ook portretschilderkunst en wereldse taferelen. De werkwijze was ambachtelijk, gedegen, geïnspireerd en sober. Tijdens twee (lange) reizen door Duitsland en Italië zou Dürer zijn opleiding voltooien om zich uit eindelijk rond 1500 als zelfstandig kunstenaar in Neurenberg te vestigen.

Diego Velázquez (1599 – 1660) "De Hofdames"
1656.
Diego Velázquez (1599 – 1660)
Op het schilderij "De Hofdames" zien we de Spaanse schilder
Velázquez een portret van de Spaanse koning en koningin schilderen. Natuurlijk
kwam de koning niet naar Velázquez toe om model te staan. Velázquez moest naar
hem. Zo had hij dus wel een heel sjiek atelier, het paleis in Madrid waar
Philips woonde. Eigenlijk is het een heel erg vreemd portret: De mensen waar het
om zou moeten gaan, de koning en koningin worden heel klein afgebeeld, twee
schimmen in een spiegel aan de achterwand van de kamer. De schilder en de
hofdames staan centraal.

Charles le Brun (1619 – 1690) "Alexander de Grote
en Porus" (1673)
Charles le Brun (1619 – 1690)
De Franse schilder Charles le Brun werd de eerste schilder aan het hof van
Lodewijk de Veertiende. Hij leidde de ateliers van de koning en de decoratie van
het paleis van Versaille dat toen nog volop in aanbouw was. Lodewijk de
Veertiende hield van kunst en veel kunstenaars hadden een atelier in zijn paleis
het Louvre. Maar het werd tong beter. Toen de koning zelf naar Versaille
verhuisde, stelde hij het gehele Louvre beschikbaar aan de kunstenaars. Vele
beroemde kunstenaars zoals David en Fragonard hebben hier gewerkt.

Jacques-Louis David (1748 – 1825) "De dood van
Marat"
Jacques-Louis David (1748 – 1825)
Veel kunstenaars gingen geleidelijk aan ook in en om het Louvre wonen. Begin
1800 vond de Franse overheid het blijkbaar genoeg, alle bijgebouwen werden
afgebroken en veel kunstenaars moesten opzoek naar een nieuw atelier. David had
op zeker moment zelfs drie atekiers in het Louvre. Na zijn vertrek huurde hij
het atelier dat we op het schilderij van Cochereau zien.

Cochereau (1793 – 1817) "Het atelier van
David" (1813)
De leerlingen zijn aan het werk, er lijkt een rust te heersen waarin goed gewerkt kan worden. David stond bekend als een van de beste leraren: hij zag het talent van zijn leerlingen en wist hoe hij het kon ontwikkelen. Het schilderij van Leon Matthieu Cochereau is zeker ook bedoeld als eerbetoon aan David.

Eugène Delacroix (1798 - 1863) Coin de atelier
![]() |
![]() |
|
Eugène Delacroix (1798 - 1863) |
Eugène Delacroix (1798 - 1863) Zelfportret (1837) |
Eugène Delacroix (1798 - 1863)
Delacroix was een kunstenaar die er voor koos om zich, geheel alleen, in de
beslotenheid van zijn atelier te wijden aan het vervaardigen van zijn kunst. Of
zoals Charles Baudelair het in zijn "L'oeuvre et la vie de Delacroix"
zegt - "Als iemand ooit de beschikking heeft gehad over een ivoren toren,
goed afgeschermd door sloten en grendels, dan was het wel Eugène Delacroix
(...) Zoals anderen privacy zochten voor hun orgieen, zo zocht hij de
afzondering voor zijn inspiratie en als hij deze eenmaal had gevonden, dan
bedronk hij zich aan zijn werk als betrof het een orgie." - Wat Baudelair
eveneens trof was de sobere inrichting het atelier. Het enige wat hij in het
verder lege atelier aantrof was: De schilderkunst.
Voor Eugène Delacroix was Michelangelo de eerste moderne kunstenaar. Hij schilderde hem alleen, zittend in zijn atelier, nadenkend en omringd door zijn beelden. Van Michelangelo is bekend dat hij zich eveneens in eenzaamheid in zijn atelier opsloot op zoek naar de opperste concentratie - in afwachting van de volgende geniale ingeving. Het portret dat Delacroix van Michelangelo schilderde moeten we dan ook bijna als een zelfportret zien.
![]() |
|
|
Courbet (1819 – 1877) "Het atelier van de schilder, Reële allegorie" 1854-55 |
|
Gustave Courbet (1819
– 1877)
De afbeelding van het atelier op het schilderij van Courbet heeft een diepere
betekenis. Het doek is bijna 6 meter lang. Alles lijkt zich te voegen naar de
hand van de schilder, niet alleen het schilderij, maar ook het model, zijn
vrienden en de symbolen van kwaad en eenzaamheid.

Gustave Moreau (1826 - 1898) Galatea (1880)
Gustave Moreau (1826 - 1898)
Het woonhuis en atelier van Gustave Moreau in Parijs is nu ingericht als een
museum. Het plan voor het museum kwam van de schilder zelf. Hij liet de twee
bovenste verdiepingen van het huis verbouwen tot een museum. Ook bedacht hij
waar zijn kunstwerken moesten komen te hangen. Wanner Morau aan het werk was,
mocht niets of niemand hem storen. Het minste geluidje bracht hem ook van zijn
stuk. Moreau trok zich terug wanner hij werkte. Toch was het atelier van een
belangrijke kunstenaar in die tijd een plaats waar de beau monde zich graag liet
zien, niet allen om zelf iets te zien, maar ook om gezien te worden.
Paul Cezanne (1839 – 1906)
De schrijver Emile Zola was goed bevriend met Cezanne. Hij kwam graag op
diens atelier. Zo schreef hij 1886 de roman "Meesterwerk" (L’Ouevre)
waarin de hoofdpersoon een mislukt en miskend kunstenaar is. Het was voor
iedereen duidelijk dat Cezanne wel heel erg veel leek op de hoofdpersoon.
Cezanne heeft het Zola nooit vergeven en zo eindigde een vriendschap die meer
dan veertig jaar had bestaan.
|
Henri de Toulouse-Lautrec. |
||
![]() |
![]() |
|
|
At the Moulin Rouge, 1892-3 |
De Kus |
Het bed |
![]() |
![]() |
|
|
La Toilette(1896) |
Salon de rue des moulins |
The Two Girlfriends |
Henri de Toulouse-Lautrec (1864 - 1901)
Nadat Toulouse-Lautrac het huis van zijn moeder verlaten had begon er een
periode van talrijke verhuizingen.
Het tuinhuis/atelier aan de hoek van de Boulevard de Clichy/ Rue de Caulaincourt
heeft zijn sporen achter gelaten in zijn werk. Vanaf 1885 begon hij in de tuin
portretten te schilderen. Daarbij ging het hem om de weergave van de mens en
niet om het schilderen in of van de vrije natuur. Later verhuisde hij naar een
atelier in de Rue Fontaine 19. Zijn vriend Maurice Joyart beschreef dit atelier
als volgt:
"(...) zeer royaal, met een kleine trap, die naar het balkon en een kleine
kamer leidde. Een trap torende tot aan het plafond, om grote doeken te kunnen
schilderen: aan de bovenste atelierwand de parodie op de Heilige Hain van
Puvis de Chavannes, drie maal uitvergrote circustaferelen met clowns, op de
grond een ongelofelijke opeenstapeling van doeken, stukken karton , gekopieerde
tekeningen, een zinken tafeltje afkomstig uit een wijnhandel, rieten stoelen,
chaise longues met kussens, buitengewone kunstvoorwerpen, Japanse kakemono's (oprolbare
hangwandplaat of oprolbaar schilderij op zijde) en netsukes (knopen van
hout, ivoor, hoorn, soms ook metaal; gebruikt om kimono`s te sluiten), ten slotte roze of witte balletschoenen, vrouwelijke hoofdtooisels,
roze domino's, korsetten en op de trap gerangschikte witte clownspetten. Uiterst
beperkt was de ruimte in het midden, waar Toulouse-Lautrec zijn schildersezel en
zijn doeken had neergezet. Zoals veel schilders, die volgens model werkten en
niet gestoord willen worden, was hij tijdens het werken grimmig, behalve
tegenover zijn goede vrienden. Al even onbewegelijk was hij waar het ging om de
plaats van spullen: absoluut verbod voor de schoonmaakster om ook maar iets aan
te raken. Een als rekwisiet dienstdoende rondslingerende ochtendjas of een ander
voorwerp moest op dezelfde plek blijven liggen. Op dit alles verzamelde zich een
laag stof."
Anders dan Edgar Degas, die een sober ingericht atelier bezat, waarin haast
nooit iemand welkom was, schepte Toulouse-Lautrec plezier in deze verzameling
van curiosa, waarvan elk stuk, los van de financiële waarde, een specifieke
betekenis had. Over het atelier in de Avenue Frochot 15 vertelde de schrijver
Paul Leclerq:
"Het was een uitgestrekte heldere ruimte, volgepropt met schildersezels,
slordige tafeltjes, stukken doek, een roeiapparaat (toen al!) en een grote
leunstoel waar ik in ging zitten toen hij mijn portret ging schilderen. Een
smalle binnentrap, zeer steil, leidde langs een muur naar boven en verbond het
atelier met twee kleine ruimten, waar van de eerste als slaapkamer en de tweede
als kleedkamer dienst deed. De meubelen waren eenvoudig."
Aan het einde van zijn leven had Toulouse-Lautrec steeds minder behoefte aan
comfort, teneinde zich geheel aan zijn kunst te kunnen wijden. Over zijn laatste
atelier in de Avenue Frochot, waar hij ook woonde, zei hij: "Ik hoop hier
tot het einde der dagen in rust en vrede te kunnen blijven werken."
Emile Bernard (1868 - 1941)
Bernard bezocht in 1904 zijn grote voorbeeld Cezanne. Die was toen al een
oude alom gerespecteerde kunstenaar. Geraakt door de bewondering van Bernard,
bood Cezanne hem aan om samen zijn nieuwe atelier te delen. Dat atelier had hij
een paar jaar ervoor op het platteland van Aix laten bouwen. "Cezanne liet
me eindelijk zijn schilderijen in zijn eigen atelier zien", vertelde
Bernard. "Het was een groot met grijze verf beschilderd vertrek"
![]() |
![]() |
|
Pierre Bonnard ( 1867 – 1947) |
|
Pierre Bonnard (
1867 – 1947)
Bonnard was een kunstenaar die er prat op ging geen atelier te
hebben Daarvoor voelde hij zich te klein. Hij had zelfs geen schildersezel. Zijn
doeken prikte hij aan de muur, hij werkte vaak aan verschillende doeken
tegelijk, uit zijn geheugen
![]() |
![]() |
|
|
Constantin Brancusi. (1876 – 1957) |
||
Constantin
Brancusi. (1876 – 1957)
De beeldhouwer Brancusi besloot na zijn studie bij o.a. Rodin voorzich zelf
te beginnen. In 1916 vond hij een atelier in het 15e arrondissement
in Parijs. Daar zou hij tot zijn dood in 1957 blijven werken. Veel van zijn
beelden groepeerde hij in zijn atelier. Dit groeperen van zijn beelden
onderzocht hij heel zorgvuldig en legde hij vast op honderden zelfgemaakte foto’s.
Ieder nieuw kunstwerp kreeg zo een plaats in zijn atelier. Aldus transformeerde
hij zijn werkplek tot een soort totaal kunstwerk. Brancusie wist wel dat zijn
atelier bijzonder was. Daarom liet hij alles, het hele atelier, alle
kunstwerken, schetsen, meubels, gereedschappen … etc na aan de Franse staat.
Het is nu nog steeds te bezichtigen in het Centre Pompidou.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Piet Mondriaan ( 1872 – 1944) |
|
Piet Mondriaan (
1872 – 1944)
Mondriaans Parijse atelier, dat hij tussen 1921 en 1936 bewoonde,
weerspiegelen de principes van het neoplasticisme even voorbeeldig dan zijn
schilderijen uit die periode. De werkruimte werd zuiver, heilig of zelfs
goddelijk genoemd, maar enkele verrassende details verraden ook de menselijke
kant van Mondriaans karakter. Zo had hij in de ruimte enkele spiegels op
gehangen (ijdelheid?) die de algehele harmonie verstoorden en door hun reflectie
een ruimtelijke desoriëntatie te weeg brachten. Ook stond er in het atelier een
schildersezel, die Mondriaan in deze periode niet gebruikte, als een
anachronistisch element. Pas door verschillende delen van de ezel zwart of wit
te schilderen en de voeten aan de achterkant af te zagen, kon het ding als
formeel element in de ruimte voortbestaan.
Vergelijkbaar was het lot van de bloem, die onderaan de wenteltrap stond. Het is
een plastic bloem. Waarvan Mondriaan de steel en de blaadjes wit geschilderd
heeft. Wanneer het naturalistische groen uitgebannen moest worden waarom dan
toch een (plasic) bloem in huis gehaald?
![]() |
||
| Die Brücke atelier |
Kirchner "Groep artiesten" |
Kirchner atelier |
Ernst Ludwig Kirchner (1880 - 1938)
Kirichner was een van de oprichters van Die Brücke. De kunstenaars van Die
Brücke vonden een academische opleiding niet nodig. Ze lieten zich liever
inspireren door Afrikaanse kunst. Ze probeerden in hun werk boven het
individuele uit te stijgen. Ze deelden hun modellen, materialen en natuurlijk
hun atelier. Daarom is het soms lastig om de kunstenaars van Die Brücke aan hun
werk te herkennen. De kunstenaars van Die Brücke waren allemaal schilders die
de schilderkunst wilden vernieuwen.
![]() |
![]() |
|
|
Picasso atelier |
||
Pablo Picasso (1881 - 1973)
Aan het begin van zijn carriere deelde Picasso het atelier Bateau-Lavoir met een
dertigtal andere kunstenaars. Het was een oud gebouw in Montmartre. Dat is nu
een populaire wijk in Parijs, maar was toen nog een heuvel aan de rand van
Parijs. waar maar een paar gebouwen stonden. In 1899 werd toestemming gevraagd
om ateliers voor kunstenaars in het oude houten gebouw te maken. De architect
Vasseur maakte een ontwerp en in 1900 waren de 30 ateliers af. Door het
samenwonen ontstonden vriendschappen voor het leven. Het atelier was een plek
waar iedereen bij elkaar kwam, een verzamelpunt waar veel 20e eeuwse geniën van
verschillende afkomst elkaar ontmoeten. Het is een bekend verhaal dat toen
Picasso eenmaal wat geld begon te verdienen, hij een tweede atelier huurde in de
wijk Clichy. Zijn atelier in Bateau-Lavoir werd altijd zo druk bezocht, dat hij
er niet kon werken.
Kurt Schwitters (1887 - 1948)
Schwitters verzamelt alles wat hij op straat tegenkomt. Hij creëerde beelden
met materiaal uit het dagelijks leven, zoals tramkaartjes, touw, oud geld en
(inmiddels vergeelde) krantenberichten. Hij noemde zijn kunst Merz-bilder,
ontleend aan het woord kommerz. Vreemde assemblages uitgaande van het
ecologische principe dat alles dat weggegooid wordt, voor de kunst nog bruikbaar
is. Abstracte composities opgebouwd uit betekenisloze fragmenten. Schwitters
schiep kunst uit niet kunst.
![]() |
![]() |
De controversiële collages sloten precies aan bij de experimenteer zucht
binnen de Europese kunstwereld net na de eerste wereldoorlog. Schwitters wilde
zoals hij zelf zei: "relaties tot stand brengen, bij voorkeur tussen alle
dingen in de wereld" met als doel "in een nog niet overzienbare
toekomst de hele wereld tot een enorm kunstwerk om te vormen".
Aan ambities geen gebrek. Misschien het best tot uitdrukking komend in zijn Merz-bau.
Een ruimte in zijn huis in Hannover die zich uitstrekte over meerder
verdiepingen. Het huis in Hannover is in de tweede wereldoorlog verwoest. Maar
onlangs (begin 2007) in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam
gereconstrueerd. Deze reconstructie heeft plaats gevonden op basis van drie
bewaard gebleven foto's.
Het chaotische interieur met onoverzichtelijke nissen en uitstulpingen, gestucte stalactieten en fotogragmenten, dit is als "Gesammtkunstwerk" het hoogte punt in het oeuvre van Schwitters. En onvergelijkbaar met werk van anderen. En een mooi voorbeeld hoe een expirimentele geest zich uit eindelijk laat concretiseren in stuc, hout en glas. Een beeldende afspiegeling van de labyrintische geest die Schwitters blijkbaar ook was.
![]() |
![]() |
|
Marcel Duchamp (1887 – 1968) |
|
Marcel Duchamp
(1887 – 1968)
Ducamp werd bij de inrichting van zijn atelier gedreven door een excessieve
logica, hoe absurd of surreeel die wetmatigheden ook waren waarop deze was
gebaseerd. Hij beschouwde zijn atelier als een installatie. Net aangekomen in
New York in 1915 raakt Duchamp gefasineerd door de etalages waar de consumptie
goederen staan uitgestald als in een galerie. Meteen veranderd Duchamp, avant la
lettre, in een "shopaholic". De producten die hij koopt krijgen
voorzien van een afwijkend tekstbord een plaats in zijn atelier. Zo ontstaan
zijn eerste ready mades. Van de ruimtelijk installaties die zo in zijn atelier
ontstaan maakt hij weer zwart/ wit foto's, die af en toe de indruk wekken van
een bizar laboratorium, eerder dan een kunstenaars atelier.
![]() |
![]() |
|
René Magritte (1898 – 1967) |
|
René Magritte (1898
– 1967)
René Magritte, die in Brussel woonde had geen atelier. Liever schilderde hij
in de woonkamer, met vrouw, thee en koekjes binnen hand bereik. Aan het eind van
een werkdag ruimde hij alles netjes op. Op deze wijze maakte hij meer dan de
helft van zijn schilderijen en beleefde hij zijn meest creatieve periode.
![]() |
![]() |
|
| Magritte Studie voor La condition humaine |
Magritte La condition humaine |
Magritte La condition humaine II |
![]() |
![]() |
||
|
Willem de Kooning (1904 - 1997) |
|||
Willem de Kooning (1904 - 1997)
De Kooing vestigde zich in 1963 in zijn later beroemde atelier in Springs, Long
Island, dat zijn werk sterk beïnvloede. Het betrof hier een klassiek schildersatelier en geen loods zoals bij
Pollock.
Ter voltooing van zijn atelier in Springs koopt De Kooning in een tweedehands
meubelzaak twee schommelstoelen. In zijn atelier zette hij die schommelstoelen
naast elkaar tegenover zijn ezel, die op een afstand van ongeveer vijtien meter
stond, aan het einde van een door schildrtafels gevormd gangpad. En wanneer hij
dan zat te schommelenkon die geweging van alles betekenen; nerveuze energie,
ouderdom, de deining van de zee. Gedurende de jaren zouden er vrienden bij hem
in de stoel komen zitten en zaten dan tijdens het praten te schommelen, als maar
kijkend naar het beeld aan het einde van de gang. Deze gesprekken over kunst
waren belangrijk voor hem, maar niet zo belangrijk als het eenzame staren
ernaar. Dag in, dag uit, tot aan het einde van zijn leven, zat De Kooning in
zijn schommelstoel en keek door de gang naar het schilderij dat zich op zijn
ezel aan het ontwikkelen was.
De fotograag en filmmaker Hans Namuth heeft evenals over het werk van Pollock
ook een film gemaakt over het werk van De Kooning. In beide gevallen heeft de
componist Morton Feldman hier de muziek bij gecomponeerd. (muziek nog opnemen)
Feldman over de werkwijze van De Kooning: "It was fascinating to watch
De Kooing paint: When you look at his pictures, they all look very, very fast,
but het paints very slowly ... In slow motion ... I just couldn't believe it.
Very slow, but it looked very fast."
zie ook: KunstKolom
over Willem de Kooing.
|
![]() |
|
Francis Bacon (1909 – 1992) |
|
Francis Bacon (1909
– 1992)
Francis Bacon bewoonde tussen 1961 en 1992 (het jaar van zijn dood) een
volledig dichtgeslibd atelier in London. Dit atelier is na zijn dood in Dublin
volledig gereconstrueerd. Hoewel niets er op wijst dat de kunstenaar de totale
chaos waarin hij dagelijks werkte en die hem inspireerde tot telkens nieuwe
beelden wilde behouden voor het na geslacht.
Een team van archeologen moest er aan te pas komen om de circa
vijfhonderdzeventig boeken en catalogi, vijftienhonderd foto’s, honderden
versneden boeken , dertienhonderd uit boeken gescheurde bladzijden, twee duizend
verschillende schildermaterialen, zeventig tekeningen en de talloze stapels
brieven, tijdschriften, kranten en lp’s in kaart te brengen. Bacon was bij
uitstek de onbegrepen zonderling, een beeld dat hij tijdens zijn leven bewust
meehielp in stand te houden. Zo heeft hij altijd ontkend vooraf tekeningen te
maken. In zijn atelier werden na zijn dood echter vele voorstudies aangetroffen.
Bacons werkplek is mogelijk het beste, in ieder geval meest tot de verbeelding
sprekende twintigste-eeuwse voorbeeld van de ivoren toren.
Jackson Pollock (1912 - 1956)
Het atelier van Pollock was bij zijn dood gewoon leeg. Het lege atelier dat hij
achter liet is tegenwoordig te bezoeken als een museum. Mits je bij het
binnen gaan je schoenen uittrekt. Hier ontstonden tussen 1947 en 1950 de
beroemde "drip paintings". Inmiddels is alom bekend hoe het er in dit
atelier aan toeging: Terwijl de vaak enorme doeken op de grond lagen, werden ze
door een haast bezeten Pollock met verf besprenkelt en overgoten, net zolang tot
het resultaat, een uiterst extressief weefsel van spetters, slierten en
klodders, de kunstenaar naar zijn zin was. Onder het werken liet hij zich
opzwepen (inspireren?) door de muziek van Morton Feldman. Dit laatste wordt in
iedergeval gesuggereerd door de beroemde film die Hans Namuth in 1950 over
Pollock maakt.
Dit laatste wordt inderdaad gesuggereerd en is op deze wijze ook vaak in de
literatuur terecht gekomen. In werkelijkheid is de ontstaans geschiedenis een
andere. Jammer genoeg heb ik de film zelf nog steeds niet gezien, maar inmiddels
wel de muziek gehoord. Peter Niklas Wilson zegt het in het cd-boekje als volgt:
"It was a ten minute piece that attempted to capture the specific
dynamism of Pollck's painting using orginal means. Namuth had Pollock work on an
elevated glass platform and fimed the actionist's gesturing "drip
painting" method from below. After the film was completed, cutter Paul
Falkenberg added the sounds of Indonesian Gamelan music to the picture, which
incited Pollock's comment: "But Paul, that's that's exotic music. I'm an
American painter!" As a result, Pollock's wife Lee Krasner contacted John
Cage, who refused (...) and recomnended Feldman. (...) Feldman had
actually been thinking of a solo piece for cello, but then expanded this to a
cello duo upon Falkenberg's request. This duo was then recorded by Feldman's
schoolmate Daniel Stern using multiple tracks. In the following month, the film
was show in the New York Museum of Modern Art." De rest is
geschiedenis, maar wel een geschiedenis waarbij Pollock niet danst op de tonen
van Feldman. Blijft natuurlijk de vraag op welke tonen dan wel - uit een
luidspreker of in zijn eigen hoofd - ik blijf nog even zoeken.
Het danselement bij het ontstaan van een schilderij wordt vaak in verband
gebracht met het stromen van het onbewuste, dat zich dus direct op het doek uit.
(zie ook gedicht "Full
fathom Five" en de daarbij opgenomen toelichting)
Overigens was de ontstaans geschiedenis van deze film nogal problematisch. In de
nazomer en herfst van 1950 begon de fotograaf Hams Namuth Pollock tijdens het
maken van zijn doeken vast te leggen. Uiteindelijk vroeg hij de kunstenaar of
hij zijn werkwijze in een fim mocht documenteren. Het werk nam alle weekenden
van oktober en november in beslag. Namuth stelde voor dat Pollock in de
kleurenfilm een glazen plaat zou beschilderen waar de camera onderstond. Drie
dagen voor de opening van zijn vierde solo-expositie bij Betty Parson op 28
oktober 1950 werden de laatste opnamen gemaakt. De avond die een feestelijk
karakter had moeten hebben, eindigde ronduit rampzalig. Pollock liep vanuit de
ijzige kou van de novembermiddag - de film was buiten opgenomen - het huis
binnen en zette het op een zuipen. Telkens weer fluisterde hij tegen Namuth
"I'am not a phony" (ik ben geen bedrieger) en gooide ten slotte tot
ontzetting van de aanwezigen de tafel om.
Door deze film, werd de aandacht van
Pollocks schilderijen verlegd naar de maker. Niet de kunst maar de kunstenaar
kwam in het centrum te staan. Van daar is het maar een kleine stap naar de
kunstenaar performer.
Pollock zelf had het daar overigens het moeilijkst mee. Vanaf 1951 werden zijn
schilderijen steeds donkerder. Zijn alcohol consumptie nam toe en in 1956 reed
hij zich te pletter. Aardig is nog om even te luisteren naar wat de componist
Feldman zegt over de schilderijen van Pollock, die aanvankelijk indaad niet zo
donker waren. "His way of working, these wonderful lines and
connections, is just fantastic. Within the limits of a confind range. This range
was influenced by Mondriaan. If you look at these early paintings by Pollock, he
used the primary colours of Mondrian ...".
Overigens heeft Feldman ook muziek gecomponeerd bij een film van Hans Namuth
over Willem de Kooning. (zie Willem de Kooning)
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Jackson Pollock (1912 - 1956) |
|
![]() |
|
|
Andy Warhol (1928 - 1987) The Factory |
|
Andy Warhol (1928 - 1987)
Begin jaren zestig verruilde Warhol zijn illustratiewerkzaamheden voor het
tentoonstellen bij toonaangevende galleries, de talk of the town. Als
nieuw komer zorgde hij voor een doorbraak met zijn zeefdrukken van Marilyn
Monroe en Elvis, soepblikken en politiefoto's van verkeersongevallen. Hij voelde
als geen ander de dynamiek en de democratiseringsgolf van zijn tijd aan, waarin
alles kunst kon worden. En iedereen die daarbij betrokken was: artistieke
hipsters zowel als oude rijken, opkomende galeriehouders en zittende
museumdirecteuren, slikkende en spuitende losers die zijn zilveren
atelier (The Factory) bezochten en de beau monde die hem van opdrachten
voorzag en gretig zijn werk kocht, een beroemdheid. Alles wat tegenwoordig zo
vanzelfsprekend tot de kunst behoort - de kunstenaar als popidool en zakenman;
kunst als vorm van overpeinzing en vermaak; de soms ziekelijke hang naar mediale
bekendheid; de postmodernistische onderwerpkeuze - is door zijn toedoen
verwerkelijkt. En sinds dien niet verdwenen. Denk aan het soapimago van Jeff
Koons en het Ikea-idioom van Joep van Lieshout, maar ook aan de tv-programma's
als Dancing on Ice en Idols. Warhol zag letterlijk in alles een
onderwerp en gebruikte dat ook werkelijk op alle mogelijke manieren, in
schilderijen, beelden, films en tv-programma's. Een van de misverstanden is dat
Warhol daarbij enkel en alleen oppervlak was, zoals hijzelf maar al te graag
verkondigde; "There's nothing behind it". Warhol verhaspelde
zijn thema's niet tot pure decoratie. Daarvoor is zijn diverse onderwerpkeuze
(van soepblikken tot popsterren tot atoombommen tot de elektrische stoel) op
zich al tekenend genoeg. Ze weerspiegelen onmiskenbaar de wereld om ons heen.
Warhol wilde het liefst een emotieloze machine zijn. Hij stelde zich op als chef
van een team van kunstarbeiders die zich bezig hielden met het maken van
zeefdrukken, films, boeken en tijdschriften. Dit team was actief in een studio
in de buurt van Union Square in New York. De studio werd the Factory
genoemd omdat er werkelijk een productielijn van schilderijen in gehuisvest was.
Deze studio groeide uit tot een ontmoetingsplaats voor artiesten, homo's,
travestieten, junks en fotomodellen. Iedereen met enige artistieke pretentie was
er welkom.De oorspronkelijke "Factory" was gevestigd in een oude
pettenfabriek op 231 East 47th street (vierde verdieping). Na een aantal jaren
verplaatste Andy Warhol zijn entourage naar een kantoorpand aan de overkant van
de straat; 33 Union street West (zesde verdiepng). Deze tweede Factory
werd door Warhol zelf the Office genoemd want er was niet uitsluitend een
atelier gevestigd, maar ook de redactie van het door Warhol opgerichte blad Interview.
Warhol werd in de jaren van de Factory wereldwijd bekend met zijn
zeefdrukken.
|
![]() |
|
Sol LeWitt |
|
Sol LeWitt (1928 - 2007)
Sol LeWitt vergeleek zichzelf wel met een componist wiens partituur door een
orkest wordt uitgevoerd. Hij ontwierp onder andere honderden wall drawings,
strenge geometrische composities voor op de muren, die hij door anderen liet
schilderen. Zijn instructies beperkten zich tot het geven van een concept. In oktober 1968 maakte hij een
grote muurschildering in de galerie van Paula Cooper in New York. Hij had van
tevoren alles al bedacht: "De lijnen lopen in vier richtingen en bedekken
de hele wand. De lijnen worden gemaakt met een hard potlood 8H of 9H, zo scherp
als mogelijk (ongeveer 2 mm, ruimte) en zijn allemaal kaarsrecht."
![]() |
![]() |
|
|
Arnulf Rainer |
Arnulf Rainer (1929)
Rainer heeft wel vier of vijf verschillende ateliers - of productiecentra.
Ze zijn hygiënisch ingericht en hebbn een koud licht waarin de dingen kaal en
gevoelloos worden. Een slecht schilderij kan zich hier niet verbergen. Daar
schildert hij, op bepaalde dagen in de week (Maltage), in volledige
afzondering. Hij schijnt op zulke dagen on aanspreekbaar te zijn. Hij kruipt
weg, als een kat die jongen moet krijgen. Als men het atelier betreedt is het
dan ook altijd opgeruimd - alsof schilderen iets onbehoorlijks is. De
schilderijen staan omgekeerd tegen de muur of liggen, als op een kerkhof, in
rijen naast elkaar op de vloer. Het valt Rainer ook moeilijk om bij zijn
bezoeker in het atelier te blijven. Er zijn schilders die je een stoel wijzen en
vervolgens het ene na het andere schilderij aanslepen en laten zien. Rainer
niet. Hij laat ook maar weinig mensen toe. Hij ontgrendelt de deur voor je, doet
enkele snelle stappen naar binnen, mompelt dat alles natuurlijk nog lang niet
klaar is en is verdwenen. Soms stuurt hij een assistent mee om met het sjouwen
te helpen. Als je na het bezoek zegt dat het mooie schilderijenzijn, kijkt hij
je aan met een lichte verbazing in de ogen en zegt: Na ja, na ja, wenn du
sagst
Bij Rainer valt het maken, het bijna maniakale beschilderen van andere
beelden, volstrekt samen met het produceren. Rainer heeft een methode
ontwikkeld, en uit de methode is een programma voortgevloeid. Eigenlijk is
Rainer een "action-painter: hij is bezig als hij schildert omdat het onzin
is dingen vooraf te bedenken. Daarvoor is alleen plaats en ruimte op het
schilderij zelf.Omdat hij dus niet bezig is als hij niet schildert, is het
niet-bezige atelier opgeruimd als een operatiekamer na de operatie.
.jpg)
La doppia faccia del cielo (1986)
Luciano Fabro (1936 - 2007)
In het atelier van Luciano Fabro bevinden zich voornamelijk overblijfsels van
het constructieproces, dingen die hij naar eigen zeggen nog niet heeft kunnen
opruimen, resten van materiaal.
Op de vloer ligt een marmeren beeld afgedekt met een witte doek. Volgens Fabro
is het zo kwetsbaar dat het niet vervoerd kan worden. Het is een liggende figuur
onder een vloeiend geplooid marmeren laken. Daar waar schouders en hoofd van
onder het laken vandaan zouden moeten komen is er niets meer, alleen nog de
lichte afdruk van een hoofd in een marmeren kussen. Het heet "lo
spirato"de ontslapene.
Luciano Fabro heeft geen methode en eigenlijk ook geen repertoir. Maar hij heeft
een superieure beeldende intelligentie die hij inbrengt in, letterlijk,
dialogen. Hij is een socratische kunstenaar die zijn "invallen"
aanscherpt in gesprekken met anderen. Het werk komt voor een deel uit die
pedagogische dialectiek voort. Zo werkt ook de dirigent en de choreograaf,
dialectisch, omdat zij hun bereik en hun mogelijkheden buiten zichzelf vinden.
![]() |
![]() |
Jannis Kounellis (1936)
Tijdens de zomervakantie (2008) struikelden we "toevallig" over een
expositie van deze arte povera kunstenaar. Terwijl we eigenlijk opzoek waren
naar de voetsporen van Leonardo da Vinci in Amboise. In het château d'Amboise
was een expositie van Kounellis ingericht. Verspreid door een hele vleugel van
het gebouw lag veel sloophout, (oud) ijzer, lompen, houten en ijzeren balken en
bronzen klokken. De kruip en sluip door route (trap op trap af) door het kasteel
maakte het alleen maar boeiender. Het viel me op hoeveel de expositie-ruimte weg
had van een atelier.
Volgens Rudi Fuchs is het atelier van Kounellis in Rome een van de mooiste en
geheimzinnigste die hij kent (en dat moeten er vele zijn) "Het is een
schemerige werkplaats en beslaat de begane grond van een bakstenen gebouw, in
uiterlijk niet erg Romeins, maar veeleer Victoriaans, in een stille straat met
bomen,vlak bij de Tiber, in een elegante, negentiende-eeuwse wijk Prati. Het
mooie van de plek is dat er niet zoveel geschiedenis is - althans niet de
bekende sonore geschiedenis van Rome: niet de keizerlijke, niet de pauselijke,
zelfs niet de fascistische. Het is Rome uit de burgerlijke tijd van Verdi."
De entree van het atelier is een donker halletje, met daarachter een smalle
gang. "Links liggen twee kamers; mooie maar gewonen kamers met
schemerachtig licht. Tafels en stoelen, tlefoon, radio en televisie. Openslaande
deuren naar een binnenplaats met planten in potten. Het eigenlijke atelier ligt
rechts van de gang. Het is een grote hoge ruimte met een granieten vloer. Aan de
straatzijde een breed venster, zo hoog dat je niet naar buiten kunt kijken.
Tegen de achterwand is een soort balkon geconstrueerd met een dichte balustrade.
Daar slapen de kunstenaar en zijn vrouw. Schuin onder het raam, half onder een
trap die naar een keukentje boven de hal voert, staan twee zitbanken. De lage
tafel is een dicht, houten blok; dat blok stond er toen Kounellis het atelier
betrok, (...) Aan de wand tegenover het raam hangen twee of drie panelen, met
ijzeren leggers ertegen gemonteerd. Ze zijn het begin, het allereerste begin van
kunstwerken, de dragers ervan. Elders in de werkruimte liggen materialen die, op
een of andere manier, op de leggers zullen worden geplaatst. Maar dat doet
Kounellis maar ten dele zelf; zelf verschuift hij wat, zelf brengt hij wat kleur
aan. Aan de kunst werken betekent op de bank zitten en kijken naar de lege
panelen. Hij kijkt lang naar de panelen; misschien zoals een schrijver naar het
lege papier kijkt of zoals een componist, alleen met zichzelf, probeert te horen
wat hij denkt. Kounellis kijkt en loopt ook veel heen en weer, juist zonder te
kijken; dan weer kijkt hij naar de panelen vanwaar hij zich, al lopend, bevindt
- uit een steeds andere hoek dus. Af en toe wordt het kijken onderbroken. Dan
gaat hij naar de andere kamer waar, naast de tuindeur, een tafel staat waaraan
hij tekent. Zo onzeker en omslachtig als het kijken verloopt, zo snel en beslist
maakt hij tekeningen. Tijdens het kijken heeft hij, in zijn gedachten, dus al
getekend, vormen en constructies gevonden. Die legt hij met lijnen op papier
vast. Dan kijkt hij weer naar het paneel. Veranderingen in het plan worden niet
op de eerste schets, als correctie, ingetekend maar leiden naar nieuwe
tekeningen. tegenover het lege paneel ontstaan de tekeningen die er de
mogelijkheden van aangeven, als een partituur. De mogelijkheden blijken, als ik
de tekeningen bekijk, zeer dicht bij elkaar in de buurt te liggen. Het zijn
alternatieve toepassingen van het repertoir - van het fragmentarische repertoire
van Kounellis, dat in formele zin beperkt is, maar dan wel zo beperkt als dat
van Mondriaan of Malevitsj en dus van een onuitputtelijke wendbaarheid en
effectiviteit. Het repertoir, denk ik, zijn de middelen die nodig zijn om het
werk uit het donker tevoorschijn te trekken; het is de constructie die een
scherpte en een straling geeft aan wat bij het allereerste kijken naar het lege
paneel nog niet de voltooide contour heeft. Die eerste voorstelling ontstaat in
de ruimte die andere kunstwerken, van hemzelf en van anderen, de kunstenaar
laten. De verbeelding laveert heen en weer maar de vele tekeningen houden de
momenten van helderheid vast. Bij Kounellis liggen altijd platenboeken open van
anderen met hij wil verkeren: Van Gogh, Malevitsj, Pollock, Munch, Rublov,
Boccioni, Caravaggio, Schwitters. Ze liggen door elkaar maar de lijn is helder.
Mijn werk is begonnen, zegt hij, op een ochtend vroeg in de zeventiende eeuw
toen Caravaggio besliste dat voortaan schilderijen vooral dramatisch moesten
zijn.
Bij mijn volgende bezoek, een paar weken later, hoor ik het al door het open
raam: het kloppen van een hamer, het sissen van een lasapparaat, de geluiden van
werk. Binnen is de productie in volle gang. Amerogo, "mijn werkman",
is bezig de werken te maken. Dat is een methodisch proces. De vreemde spanning
van de voorbereiding is weg, onderbroken. De tekeningen nemen een vorm aan. Het
peinzen, om niet te zeggen het tobben van Kounellis heeft plaatsgemaakt voor een
soort gelatenheid. Terwijl Amerigo9 in het atelier aan het werk is, zit de
kunstenaar liever in de andere kamer sigaretten te roken. Af en toe wordt hij
geroepen om te komen kijken. Hij gaat kijken. Ik zie hem wijzen naar een stuk
hout op de legger tegen het ijzeren paneel, en met zijn vinger heen en weer
bewegen; Amerigo verschuift het stuk, schuift het heen en weer tot het goed
ligt. Kounellis gaat weer aan tafel zitten roken. Wij praten over andere werken,
van jaren geleden, en over plannen voor de nabije toekomst - maar ik merk dat de
kunstenaar onrustig is. Ik merk dat hij echt zit te wachten tot de werken die in
de voorkamer in productie zijn ook af zijn, want dan kan hij weer door met het
maken. maken is in dit atelier, niet het constueren maar de weken die daaraan
voorafgaan - de tijd waarin de kunstenaar met zichzelf complotteert. Als de
dingen worden gefabriceerd worden ze onherroepelijk en openbaar: dat is een
andere aanleiding tot nervositeit maar het is niet de nervositeit van het
maken.Door zijn openbare werken is de kunstenaar een deel van het leven en de
eigentijdse maatschappij; maar iemand als Kounellis, die een repertoir heeft
maar geen methode, moet zich daaruit afzonderen. Hij moet zich in gedachten
isoleren; dat is de betekenis van het atelier. De spanning is er voelbaar."
Daniel Buren (1938)
Daniel Buren verklaart het atelier dood in zijn essay "Fonction de
l'atelier" (de functie van het atekier) uit 1971. Hij meent dat zijn
artistieke werkzaamheden geen atelier meer nodig hebben en betrekt in plaats
darvan een kantoor. Van hieruit opereert hij als kunstenaar. Zijn werk
realiseert hij voortaan pas binnen de context van de tentoonstellingsruimte, ter
plaatse, of te wel "in situ".
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Daniel Buren (1938) in het Guggenheim museum in New York. |
|
Volgens Buren ontstaat het kunstwerk onder ideale
omstandigheden, in het atelier. Dit is een veilige plek, waar het kunstwerk
thuis is, afgeschermd en geisoleerd van de wereld. Het kunstwerk is er simpelweg
het meest "op zijn plaats". Maar om te bestaan moet het ergens
tentoongesteld worden en dus vertrekken. In de ogen van Buren begint het
kunstwerk op dat moment als het ware aan een ander bestaan en raakt het
ontheemd. Ongemerkt verliest het daarmee namelijk iets van zijn oorspronkelijke
betekenis. Die kreeg het immers in het atelier, waar heel andere condities
gelden dan in de publieke ruimte van het museum of de galerie. Het afschaffen
van het atelier is volgens Buren de enige manier om hieraan te ontkomen. Door
zijn werk, zogenoemde markiezenschilderijen van wisselend gekleurde vericale
strepen van 8,7 centimeter breed, altijd in situ gemaakt, liet hij de
productieplaats samenvallen met de plaats waar het werd gepresenteerd. Net als Brancusi,
die alleen de omgekeerde weg had gekozen en zijn beelden het atelier niet meer
liet verlaten, viel de presentatie van het kunstwerk samen met zijn ontstaan.
Bij Buren is het atelier volledig verinnerlijkt. "Mijn atelier is de plek
waar ik me bevind."

Bruce Nauman "mapping the studio 1 - all action edit
(fat chance John Cage)"
Bruce Nauman (1941)
nauman veranderde het mytische beeld van het atelier als plek waar het creatieve
genie in het geheim aan zijn wonderen werkt volledig. Sinds de jaren 60 maakt
hij een reeks films en video's over het leven van en in zijn atelier.
Wat doet de kunstenaar die geen inspiratie heeft? Loopt rond, zet koffie, gaat
zitten. Wat Nauman tot de conclusie leide: Ärt is what the artist does, just
sitting around in his studio".
In verschillende video's loopt hij rond in zijn atelier, speelt viool en speelt
met ballen. Het atelier zelf is zo onuitnodigend en leeg als een gevangeniscel.
Een van zijn laatste video installaties over zijn (het) atelier is "mapping
the studio 1 - all action edit (fat chance John Cage)". Over het ontstaan
ervan zegt hij zelf: "I was sitting around in the studio being frustrated
because I didn't have any new ideas, and I decided that you just have to work
with what you've got". En wat had hij voor handen? Een kat, een muizenplaag
en een videocamera. In 2006 konden we in het stedelijk museum im Amsterdam zes
uur lang op zeven schermen kijken naar de nachelijke beelden van het atelier van
Nauman, in real time. We horen de muizen en zien een slome kat. Laten we het als
een meditatieve ervaring zien, die het bewust zijn scherpt.
Het aardigste is misschien nog wel dat het atelier blijkbaar zonder de
kunstenaar kan. Maar de kunstenaar, in idergeval Nauman, niet zonder het atelier.
|
![]() |
|
Orlan |
Orlan |
![]() |
![]() |
|
Sint Orlan |
Sint Terese |
Orlan (1948)
De kunstenares Orlan stelt al sinds het eind van de jaren zestig het
idee over schoonheid ter discussie. Haar lichaam is haar beeld. Haar eigen
lichaam is het beeld en dat steld ze op straat tentoon. Ze heeft niet veel
nodig, alleen al met een wit laken verklaart ze zichzelf heilig als Sint Orlan.
Maar zo heilig is ze niet. Ze verkoopt zelfs haar lichaam. Althans foto's van
delen van haar lichaam. In een ander project verkocht te kussen voor minder dan
één euro. In de jaren negentig onderging ze plastische shirurgie om haar
lichaam meer op dat van de Venus van Botticelli te laten lijken. De operatie
vond niet zoals gebruikelijk achter gesloten deuren plaats. Orlan liet de
operatie filmen en fotograferen.
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Patrick Dougherty |
|
Patrick Dougherty (1948)
De Amerikaanse kunstenaar Patrick Dougherty heeft geen vast atelier. Hij
reist en maakt beelden in het landschap. De beelden blijven op hun plek, dus
moeten mensen naar de beelden toe om ze te kunnen zien. Dougherty wil dat zijn
beelden er natuurlijk uit zien. Maar simpel is dat niet. De plek moet goed zijn.
Daar is hij vaak lang naar op zoek. Ook takken, vaak van verschillende
boomsoorten, liggen niet zo maar voor het oprapen. Ze moeten een bepaalde kleur
en dikte hebben. Pas als dat alleemaal klopt kan Dougherty beginnen. Dan pas
begint hij met het vormen en weven. Hij laat de meest vreemde bouwwerken ontstaan.
|
![]() |
|
![]() |
![]() |
|
|
Ossip (1952) |
||
Ossip (1952)
Ossip heeft zijn atelier in een oud fabrieksgebouw midden in de binnenstad. Het
si een grote ruimte boven een keramiekwerkplaats. Op de zolder heeft hij zijn
niet verkochte werkstukken opgeslagen. Ook staan er werkstukken die hij niet wil
verkopen, omdat het voor hemzelf belangrijke werkstukken zijn.
Schakelwerkstukken, die het begin van een nieuwe periode of nieuwe manier van
werken markeren.
Ossip werk vaak met oude foto's, meestal uit medische boeken. Daarom zijn de
personen op zijn schilderijen niet zomaar gewone mensen. Ze zien er wat zielig
uit, omdat ze een lichamelijk gebrek hebben. Ossip vergroot die foto's. De meeste
werken zijn ongeveer 1 meter bij 1,50 meter. Daarna boegt hij iets aan de
vergrote foto's toe. Dat kunnen echte draden zijn die uit het kunstwerk komen.
Soms als haren, of soms als draden van een kantwerkof een echt kledingstuk dat
op en in de plaats van de kleding op de foto hangt. De mensen op zijn
kunstwerken komen dus nogal kwetsbaar over. Ossip heeft ook kleine collages
gemaakt. Fantasiefiguren van knipsels en allerlei materialen op oude
boekenkasten. Die collages werden dan later vergroot en weer bewerkt net zoals
de fotoachtige werken. In zijn atelier bewaard hij deze kleine werken, die
allemaal in het groot bestaan. Die kleine werken zijn een soort inspiratiebron
voor weer nieuwe werken. Daarom verkoopt hij ze ook liever niet. De wand is als
geheel een kunstwerk.
|
![]() |
|
Sophie Calle Bed |
Sophie Calle Hotelroom |
![]() |
![]() |
|
Sophie Calle Graves |
Sophie Calle Breast |
Sophie Calle (1953)
Calle is vooral geïnteresseerd in wat er buiten haar atelier gebeurt. Ze lijkt in
haar werk meer op een privé-detective of undercover agent dan op een beeldend
kunstenaar. Zo zocht zij voor een van haar projecten een baan als werkster in
een hotel in Venetië. Niet omdat ze zo dol is op schoonmaken, maar omdat ze in
alle rust het doen en laten van de toeristen kon bestuderen. Ze overschrijdt de
grenzen van privacy en buit de publieke ruimte uit. Calle schaduwt en observeert
het gedrag van individuen. Ze is voortdurend opzoek naar verhalen die schuil
gaan achter de praktijk van het dagelijks leven. Later zijn haar
indrukken in het museum tentoongesteld. Sophie Calle steekt niet alleen haar
neus in andermans zaken. Ze zet ook zichzelf vaak te kijk. In 1981 liet zij
zich volgen door een detective en in een ander project leende ze haar bed uit. Volgens Calle is het zonde dat een bed alleen maar 's nachts gebruikt wordt.
Volgens haar moet een bed 24 uur per dag gebruikt worden.
In haar werk balanceert Calle op de grens van fictie en werkelijkheid. Deze
begonnen pas goed door elkaar te lopen toen Calle de Amerikaanse schrijver Paul
Auster toestemming gaf 'to mingle fact with fiction' met andere woorden om
enkele van haar werken op te nemen in zijn roman 'Leviathan' (1992)
Daarin beschrijft Auster de kunstenares Maria, die net als Calle mensen
achtervolgt en hotelkamers doorzoekt. Tegelijk maakt Auster van zijn literaire
vrijheid gebruik om er nog wat werken bij te verzinnen. In een poging om fictie
en realiteit weer bij elkaar te brengen voert Calle op haar beurt Austers
verzonnen werken als nog uit.
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Andy Goldsworthy |
|
Andy Goldsworthy (1956)
Goldsworthy is een internationaal befaamd landschapskunstenaar. Hij reist
over de hele wereld om zijn opdrachten uit te voeren. Toch blijft het landschap
in de omgeving van zijn huis in Dumfriesshire, in het zuidwesten van Schotland,
het centrum van zijn werk.
Goldsworthy speelt met gedachten over groei, over eeuwige verandering, over
transformatie. Zijn werken maakt hij van bladeren, takken, ijs, sneeuw, steen en
zand. Een groot deel van zijn werk is tijdelijk: wat uit de natuur is gehaald
zal er zich vroeg of laat weer invoegen.
|
||
![]() |
Frank Halmans (1963)
Het atelier van Frank Halmans kan een boekenplankje zijn, een stofzuiger of een
kruimeldief. En wat zuigt deze kunstenaar en maker bij uitstek een prachtige
dingen op. Hij speelt een complex spel met dingen als ideeën en ideeën als
dingen. Een kunstwerk is niet alleen en opvatting óver de wereld maar ook een
voorwerp in de wereld.
Het maakt dus eigenlijk deel uit van twee werelden: die van de ideeën en die
van de dingen. Dat is een kwestie van betekenisverlening: als een ding een
plaats krijgt als uitdrukking van een idee, lopen de werelden dwars door elkaar
heen en wordt de functie in de ene wereld een formulering die afwijkt van de
functie in de andere en omgekeerd. het ding zelf verandert natuurlijk niet, want
het is wat het is. Maar het is meestal al veranderd wanneer de kunstenaar ermee
bezig is, dan krijgt het die gelaagdheid. Kunst is tenslotte een proces van
verandering, van overgang van informatie tot transformatie. Daartussen kaatsen
mogelijke betekenissen heen en weer. En die dubbele verschijningsvorm geldt
eigenlijk voor ieder kunstwerk: tegelijkertijd een drager van ideeën en een
ding van niets.
![]() |
Zijn
installatie ‘La disparition’ (2007) roept vooral benauwenis op. Vervreemding
- toch het thema van veel beeldend werk van nu - of toch eerder een pijnlijke
herkenning?
Halmans heeft een flatje nagebouwd op ware grootte, met dit verschil dat hij
alle meubelstukken en het sanitair met ijzeren consequentie heeft versmald tot
schat ik de helft. Dus niet verkleind, alleen versmald! Nu de gevolgen van deze
ingreep. Je krijgt een zeer smalle wc, zeer smalle stoelen en bedden en zo
verder. Zo smal dat geen mens er op kan zitten of in liggen.
Er zijn dan ook geen bewoners te zien.
De titel is dus zeer toepasselijk: 'La disparition'.
Ze zijn verdwenen.
|
![]() |
|
Frank Havermans (1967) |
Frank Havermans (1967) - Landgoed Steenwijk -
Op het landgoed Steenwijk in Vught is een oud klooster uit de negentiende
eeuw verbouwd tot conferentiecentrum. De schuur van het klooster werd eerst
gebruikt als varkenshok en opslag voor fruit en later voor gereedschap. Na een
langdurige verbouwing is het een prachtig gastatelier geworden met daarin een
heel bijzondere atelierwoning, ontworpen en gebouwd door Frank Havermans.
De woning hangt als een soort zwevende houten varavan in de atelierruimte. Zo
kan de kunstenaar altijd een oogje houden op het werk dat hij gemaakt heeft.
Maar het bijzondere is ook dat er op de verdieping van de woning een kamer is
die dwars door de achtergevel heen steekt. Het is net een enorme telelens die
eindigt in een groot uitkijkraam. In die uitkijkkamer kan de kunstenaar heerlijk
zitten en over het landgoed staren om inspiratie op te doen.
De atelierwoning Kapkar TAW BW 5860 van Frank Havermans is het eerste kunstwerk
dat in dit gastatelier is gemaakt. Het bijzondere daarvan is, dat het een
blijvend kunstwerk is, dat de andere kunstenaars telkens een paar maanden zullen
gebruiken. Frank Havermans maakt zijn kunstwerken van eenvoudige materialen,
zoals platen, balken en planken. Bruikbare kunstwerken soms. Maar vaak zijn zijn
werken ook alleen kunstwerk, waar je met bewondering naar kunt kijken.
|
![]() |
|
![]() |
![]() |
|
![]() |
![]() |
|
|
Joost Conijn (1971) |
||
Joost Conijn (1971)
Aan zijn werk uitleggen heeft kunstenaar Joost Conijn een hekel. Het gaat juist
om een onbevangen blik. Van regels en conventies houdt hij niet. "Volgens
mij is het een grote fout om van te voren te benoemen en te bepalen wat je denkt
te gaan doen. Dat zet een soort verwachting in waardoor je niet meer kunt
reageren op wat zich spontaan voordoet. Ik wil openstaan voor alles wat er
gebeurt. Zonder plan raak je ergens in verzeild en dat wordt dan wat. Conijn
werkt het liefst alleen en in alle vrijheid. Hij rommelt, bouwt, scharrelt, het
liefst zonder haast en zonder afspraken. Dan komt hij tot prachtig, avontuurlijk
werk, waarmee hij plekken opzoekt waar de wereld hem beter lijkt te passen dan
hier. Joost Conijn werkt op het voormalige ADM-terrein in Amsterdam aan
wisselende projecten waarvan hij ons in een soort video-boodschappen verslag
doet. Zoals de bouw en de test van een "Vliegtuig" (2000) een
"Hout Auto" (2002), hij volgt zijn buurkinderen in "Siddieqa,
Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa en Dzoel-kifl" (2004)
"OK-KUL'(2006) en een fietstocht door het Rifgebergte in Marokko
"Olland" (2007) . Zijn atelier is de wereld. Zijn werk wordt
vertoont in musea, kunstinstellingen, documantairefestivals, televisie,
galeries, manifestaties en op gekraakte terreinen aan de rand van de stad.
|
![]() |
|
|
Aaron van Erp |
||
Aaron van Erp (1978)
Van Erp werkt in een atelier waar het, net als vroeger bij Bacon,
onmogelijk is om rond te lopen zonder ergens op te trappen. Zijn atelier is
gevestigd in het Tempory Art Centre in Eindhoven waar tientallen kunstenaars en
ontwerpers een atelier hebben.
Aaron van Erp is in 2001 afgestudeerd aan de academie in Den Bosch. In 2004 had
hij een tentoonstelling in het Noordbrabants Museum. En in 2005 kocht de bekende
galeriehouder Charles Saatchi vier schilderijen van hem aan. In 2006 heeft hij
een expositie in het Haags Gemeentenuseum. Van Erp werkt met dikke verflagen,
wat je ook wel kunt zien aan de vloer van zijn atelier. Die ziet eruit als het
kleurenpalet van de schilder. Het is bijna zelf een schilderij.
Op zijn schilderijen lijken de stenen in de door hem geschilderde ruimte vaak te
leven. Op andere schilderijen zie je verlaten landschappen waarin zich wat
zonderlinge mensen bevinden. De titels van zijn schilderijen zijn vaak
humoristisch. "Ziezo, die lelijke schavuit is voorlopig even
uitgeschakeld."
|
![]() |
|
![]() |
![]() |
![]() |
|
Kristof van Gestel |
||
Kristof van Gestel.
Van Gestel is zich in het verlengde van Buren terdege
bewust van het feit dat zijn sculpturen buiten zijn atelier een andere betekenis
krijgen. Binnen de muren van zijn atelier laat hij zijn beelden een relatie met
elkaar aangaan, op de wijze waarop ook Brancusi zijn
beelden in zijn atelier rangschikte. De constatering dat er meer dan één
manier is om naar een object, zijn plaats en zijn functie te kijken bied Van
Gestel juist nieuwe mogelijkheden.
Roé Cerpac
De van oorsprong Israëlische kunstenaar Roé Cerpac bewijst dat je als
kunstenaar ook afkunt zonder atelier. Bij hem is werkelijk sprake van een post-studio
situatie. Op de kunstacademie beschikte hij net als alle andere studenten over
een atelier, maar daar kwam hij nooit. Hij bracht zijn dagen door in de
academiekantine. Niet vanuit conceptuele overwegingen, maar gewoon omdat hij
zich daar het meest op zijn gemak voelde. Cepac is de ultieme vertegenwoordiger
van wat wel ontmoetingskunst wordt genoemd. Hij maakt geen kunst in letterlijke
zin. Enkel wat hij doet geldt als kunst. Soms nodigt hij mensen uit bij hem
thuis, maar meestal loopt hij rond op straat, gaat hij zitten in cafés of
andere openbare plekken. Met de mensen die hij daar ontmoet voert hij
gesprekken. Over van alles, zonder een vooropgezette artistieke bedoeling of
uitkomst. Hij onttrekt zich als kunstenaar volledig aan welke kunstgerelateerde
context dan ook. Zonder iets te maken of te presenteren en zodoende zonder
feitelijke werkplek.
![]() |
![]() |
|
Florian Schneider |
Florian Schneider |
![]() |
![]() |
|
Florian Schneider Sophie3 |
Florian Schneider Amelie |
Florian Schneider
Schneider werkt in een digitaal atelier. Zijn vrouwen lijken uit een
sprookjesboek uit de 18e eeuw te komen. Je ziet niet meteen of het foto's of
schilderijen zijn. Maar Flarian Schneider schildert niet, tenminsten niet met
een penseel. Hij maakt zijn dames op een computer. Hij tekent en schildert met
zijn muis. Zijn assistenten heten Paintshop Pro en Photoshop en zijn modellen
komen uit een digitaal atelier.
In of buiten het atelier, wat gelukkig nooit zal veranderen is dat kunst vooral en overal gezien moet worden.
Chris21.02.07/28.02.07/07.03.07/11.03.09/04.04.10
Bronnen:
- Mariëtte Haverman e.a. "Ateliergeheimen" Over de werkplaats van de Nederlandse kunstenaar vanaf 1200 tot heden.
- Dada nr. 53 2006 Het Atelier.
- Kunstbeeld nr. 10 2006 Dossier Het Atelier.
| home | tekenlog | schilderijen | ruimtelijk werk | grafiek | reprocitaat | kunst kolom | video/ audio | fotografie | tekeningen |
| contact |