Wilfred Owen (1893-1918)

Tijdens het lezen van deze gedichten kunt u luisteren naar een fragment (Agnus Dei) van het War-Requiem van Benjamin Britten. Het libretto van dit requiem is gebaseerd op de poëzie van Wilfred Owen.

Toelichting.
Wilfred Owen werd in 1893 geboren als zoon van een spoorwegwerker. Zijn opleiding aan de universiteit staakte hij in 1913 om in Bordeaux Engels
e les te gaan geven. Zijn vroege gedichten staan sterk onder invloed van het zinnelijke van Keats, de grote Romantische dichter (1795 - 1821).
Nadat hij in 1915 terugkeert in Engeland om dienst te nemen en aan het front is gekomen, verandert zijn poëzie. Zijn poëzie wordt abrupter, er komen experimenten met rijm en ritme. Zo brengt hij zijn poëzie dichter bij de realiteit, minder mooi, volwoede en medelijden. Bekend is hoe hij na verwonding in het hospitaal Siegfried Sassoon ontmoet, ouder, met een andere achtergrond en met een opleiding in Cambridge. Sassoon geeft Owen goede poëtische advisiezen. In 1918 keert Owen terug naar het front, waar hij een MC (Militry Cross) verwerft. Op 4 november, een week voor de wapenstilstand, sneuvelt hij bij de aanval op het Sambre kanaal.
Slechts vijf gedichten worden tijdens zijn leven gepubliceerd. Latere uitgaven van o.a. Sassoon en Edmund Blunden geven hem meer bekendheid. Zijn reputatie groeit en hij is nu een van de bekendere War Poets.

Tijdens een van de vele gifgas aanvallen die hij aan het front meemaakt ziet hij hoe een van zijn makkers te laat bij zijn gasmasker is. Hij hoorde hem gillen, vallen, braken en stikken. Daarna mocht hij de kar duwen waarop het lijk gesmeten was, door de modder, urenlang, met zicht op die ogen, "paffig wit en open" in het "verwrongen"en "aangevreten" gelaat, terwijl hij hoorde bij elke bult:

(...) de gorgel van zijn bloed
Dat kwam geborreld uit door schuim verpeste longen,
Als een kapotgebeten tabakspruim geperst
Uit niet te helen zweren op reine kindertongen -
(...)
uit "Dulce et Decorum est"

De dichter moet zij hartenkreet kwijt, ook al is die dan poëtisch niet helemaal volgens de regels. Hij verzet zich tegen de moraal dat het goed en zoet zou zijn om te sterven voor het vaderland.
Tom Lanoye heeft negen gedichten van Owen vertaald en bewerkt in de bloemlezing "Niemands land". Lanoye heeft deze Engelse oorlogs poëzie niet alleen vertaald, maar ook op eigen wijze bewerkt en vervlaamst. Zo vinden we in deze Engelse gedichten knoesels en sappes en pisblommen en verduldig labeuren van de mannekes. Behalve dat krijgen gedichten soms ook een heel nieuwe structuur. Lanoye gaat eigenzinnig om met de Engelse bronnen. Het idee er achter is mooi en het resultaat is levendig en fris. 
Mooi boek. Gruwelijke oorlog. Blijkbaar houden politici niet van poëzie.

Bronnen:
1. Tom Lanoye:           "Niemandsland" - Gedichten uit de Groote Oorlog - (2002)
2. Guus Middag:         "Het mooiste gedicht van de wereld" (2005)
3. Paul Witteman:       "Wederhoor" (2006)

Engelse tekst Wilfred Owen. Vertaling/ bewerking Tom Lanoye.

Dulce et decorum est*

Wij vloekten door het slijk, als hoestende kobolden,
Als vagebonden onder pak en zak geknakt -
Tot parachutefakkels naar beneden tolden,
Hun langzaam bliksemlicht over de polders rolde
En wij niets konden dan de aftocht aan te vatten
Naar onze verre, onverwarmde kazematten.

Men liep en sliep. Een paar waren hun laarzen kwijt
Maar hinkten door, geschoeid in bloed. Verblind en
Mank was alleman, van moeheid zat, en doof zelfs voor
Gefluit van gasgranaten achter ons dun gat. Wat? Gás?
Och mannekes, rap! Een hoogfeest van gefrommel:
Die lompe maskers juist op tijd op onze snuit.

Te laat. Eén gilt. Hij zwalkt en strompelt onderuit
Als viel hij in een vuur of in een vat met kalk.
Door mijn bedompte glazen zie ik hoe hij zinkt
En in een dik groen licht, een zee van slijm, verdrinkt.
Sindsdien verdrinkt hij elke nacht in elke droom.
Hij stikt en braakt, hij ploetert door die groene stroom
Mij tegemoet, die werkloos wacht tot hij is uitgewroet.

Als ooit, in nachtmerries, ook u zou moeten lopen
Achter de ezelskar waar wij zijn lijk op smeten;
Zag u die ogen draaien, paffig wit en open, in
Die omgekeerde duivelskop, verwrongen, aangevreten;
En hoorde u, bij elke bult, de gorgel van zijn bloed
Dat kwam geborreld uit door schuim verpeste longen,
Als een kapotgebeten tabakspruim geperst
Uit niet te helen zweren op reine kindertongen -

Mijn vriend, nooit meer verkocht u, trots en manifest,
Aan jongens die dorsten naar wat vergeefse glorie
Uw Oude Leugen: Dulce et decorum est
Pro patria mori.

* 't Is goed en zoet (te sterven voor het vaderland)

Dulce et Decorum est

Bent double, like old beggars under sacks,
Knock-kneed, coughing like hags, we cursed through sludge,
Till on the haunting flares we turned our backs,
And towards our distant rest began to trudge.
Men marched asleep.  Many had lost their boots,
But limped on, blood-shod.  All went lame, all blind;
Drunk with fatigue; deaf even to the hoots
Of gas-shells dropping softly behind.

Gas!  GAS!  Quick, boys! --  An ecstasy of fumbling
Fitting the clumsy helmets just in time,
But someone still was yelling out and stumbling
And flound'ring like a man in fire or lime. --
Dim through the misty panes and thick green light,
As under a green sea, I saw him drowning.

In all my dreams before my helpless sight
He plunges at me, guttering, choking, drowning.

If in some smothering dreams, you too could pace
Behind the wagon that we flung him in,
And watch the white eyes writhing in his face,
His hanging face, like a devil's sick of sin,
If you could hear, at every jolt, the blood
Come gargling from the froth-corrupted lungs
Bitter as the cud
Of vile, incurable sores on innocent tongues, --
My friend, you would not tell with such high zest
To children ardent for some desperate glory,
The old Lie:  Dulce et decorum est
Pro patria mori.

 

Lofzang op gedoemde jonge gasten

Welk klokgelui betaamt voor wie vergaan als dieren?
Alleen het monsterlijke woeden van mortieren.
Of neen, alleen de ratel van een mitraillette -
Geen mens raffelt zo schoon een laatste schietgebed.

Voor hen geen bel of toeters, krans of kerkhofblom.
Geen treurmuziek - tenzij stampei van die orkesten
Die slechts bestaan uit slagwerk van kartets en bom
En bugels, jankend over droevige gewesten.

Waar brandt hun kaars? De vlam die hun ten afscheid heet?
Niet in de hand van jonge broertjes. In hun ógen
Laat nooit het vuur dat hen gedenken zal zich doven.

De bleekheid van verloofdes dient hun lijk tot kleed.
Eén bloem: de tedere berusting der beminden.
En elke schemering: het luiken van de blinden.

 

Anthem for Doomed Youth

What passing-bells for these who die as cattle?
   Only the monstrous anger of the guns.
   Only the stuttering rifles' rapid rattle
Can patter out their hasty orisons.
No mockeries for them; no prayers nor bells,
Nor any voice of mourning save the choirs, --
The shrill, demented choirs of wailing shells;
And bugles calling for them from sad shires.

What candles may be held to speed them all?
   Not in the hands of boys, but in their eyes
Shall shine the holy glimmers of goodbyes.
   The pallor of girls' brows shall be their pall;
Their flowers the tenderness of patient minds,
And each slow dusk a drawing-down of blinds.

 

Zothuizen

Wie zijn dit? Wat doen ze in dit schemerduister?
Dat schommelt maar, als trollen uit de onderwereld,
Hun ton tot op hun kin, vol spuug en etensresten,
Hun tanden bloot gegrijnsd, als bij een doodskop.
Kramp na kramp van pijn - een sluipende paniek
Perst uit hun gammele gewrichten niets dan stuipen.
Zelfs uit hun haar en uit de palmen van hun handen
Lekt miserie. Zeker, wij vergingen ook. Al slapend. Wij
Marchéérden ons dood. Maar welke hel is dit? Van wie?

Mannen wier gedachten door de Doden zijn verkracht.
De memorie aan moord strijkt hun tegen de haren in,
Menigvuldige doodslag die ze elke dag opnieuw begaan.
Ze dolen rond, zonder kompas, in een moeras van vlees
En trappen bloed uit longen die van lachten hielden.
Ze zien niet wat ze zien en horen steeds hetzelfde: de
Donder der kanonnen. Spieren spattend in de rondte.
Weergaloze slachting. Een berg van menselijk schroot,
Te dik opeengetast om daar nog onderuit te kruipen.

Zo blijven hun gekwelde ogen krimpen, achterwaarts
Hun hersens in. Zo blijft voor hun benul een zonnestraal
Een rode geut, de nacht maar zwart omdat hij is geronnen,
En elke dageraad een verse wond. Vandaar hun gruwelijk
Hilarische gezichten, met die verstarde valse lach van
Te vroeg opgezette lijken. Vandaar de klauwen waarmee
Ze graaien naar mekaar, of grissen naar de rafelige zwepen
Van hun geseling. Of, almeteen gelukkig als een hond,
Een pootje geven aan hun beulen - wij, die hen zo knap
Hebben bekwaamd in krijgskunst en krankzinnigheid.

 

Mental Cases

Who are these?  Why sit they here in twilight?
Wherefore rock they, purgatorial shadows,
Drooping tongues from jaws that slob their relish,
Baring teeth that leer like skulls' tongues wicked?
Stroke on stroke of pain, -- but what slow panic,
Gouged these chasms round their fretted sockets?
Ever from their hair and through their hand palms
Misery swelters.  Surely we have perished
Sleeping, and walk hell; but who these hellish?

-- These are men whose minds the Dead have ravished.
Memory fingers in their hair of murders,
Multitudinous murders they once witnessed.
Wading sloughs of flesh these helpless wander,
Treading blood from lungs that had loved laughter.
Always they must see these things and hear them,
Batter of guns and shatter of flying muscles,
Carnage incomparable and human squander
Rucked too thick for these men's extrication.

Therefore still their eyeballs shrink tormented
Back into their brains, because on their sense
Sunlight seems a bloodsmear; night comes blood-black;
Dawn breaks open like a wound that bleeds afresh
-- Thus their heads wear this hilarious, hideous,
Awful falseness of set-smiling corpses.
-- Thus their hands are plucking at each other;
Picking at the rope-knouts of their scourging;
Snatching after us who smote them, brother,
Pawing us who dealt them war and madness.

 

Vruchteloos

Kom, leg hem in de zon.
Haar lichte streling wekte hem wel meer -
Thuis, fluisterend van onbezaaide grond.
Zij wekte hem altijd, ook aan dit front.
Tot deze morgen, deze sneeuw. Dit keer
Geldt des te meer: als iets hem wekken kon,
Is het de goede oude zon.

Zij wekt toch ook de zaden?
Zelfs ooit de klei van onze koude ster!
Staan armen (pas volgroeid maar sterk), staan zijden
(Nog slank, nog warm), dan plots voor haar te ver?
Was het voor dit dat klei rechtop ging lopen?
- O wat deed stomme zonnestralen strijden
Om, sowieso, een ster z'n slaap te slopen?

 

Futility

Move him into the sun --
Gently its touch awoke him once,
At home, whispering of fields unsown.
Always it woke him, even in France ,
Until this morning and this snow.
If anything might rouse him now
The kind old sun will know.

Think how it wakes the seeds --
Woke, once, the clays of a cold star.
Are limbs so dear-achieved, are sides
Full-nerved, -- still warm, -- too hard to stir?
Was it for this the clay grew tall?
-- O what made fatuous sunbeams toil
To break earth's sleep at all?

 

Wapens & de jongste piot

Keur goed dat hij bajonet beproeft, haar blad
Streelt met zijn duim: hoe koud, dat staal! - belust op bloed.
Zo strak van lijn! - door honger hard, naar vlees zo zoet.
Zo blauw van 't kwaad! - zo blikt alleen een psychopaat.

Gedoog dat hij de kogel aait - zo bot, zo blind -
Die in het hart wil happen van een ander kind;
Of toon hem een patroon, van zinken tandjes vol -
Scherp als je smart, je waanzin om de dodentol.

Zijn tanden lachen immers, bijten slechts in appels.
Nooit maakt zich in zijn smalle hand een klauw te sappel:
Hij kreeg geen giftand aan zijn knoesel mee van God
Of hoorntjes in de dichtheid van zijn kroezelkop.

Arms and the Boy

Let the boy try along this bayonet-blade
How cold steel is, and keen with hunger of blood;
Blue with all malice, like a madman's flash;
And thinly drawn with famishing for flesh.

Lend him to stroke these blind, blunt bullet-heads
Which long to muzzle in the hearts of lads.
Or give him cartridges of fine zinc teeth,
Sharp with the sharpness of grief and death.

For his teeth seem for laughing round an apple.
There lurk no claws behind his fingers supple;
And God will grow no talons at his heels,
Nor antlers through the thickness of his curls.

Gevoelloosheid

I

naar Insensibility (III & I)

Gelukkig wie hun fantasie verliezen.
Ze sleuren al genoeg mee aan munitie.
Geen ransel zal op hun geweten wegen,
Geen litteken doet zeer tenzij bij regen.
Al wat bestaat gezien hebbend in rood,
Weten hun ogen raad, voorgoed,
Met de pijn van de kleur van bloed. Eens
De eerste wurggreep van de angst voorbij,
Raakt hun gemoed wel in het heetste van
De strijd met staal gepantserd, en doet
Hen lachen tussen lijken, onverschillig.

Ja: gelukkig wie, nog voor eraan te gaan,
Hun bloed kunnen verkillen in zijn baan.
Niet langer bedrogen door mededogen
Voelen ze hun voeten niet meer schrijnen
In dreven, met niets dan broers bestaat.
De frontlinie bezwijkt? Zij zijn alleen
De tros die schrompelt - geen druiven
In het tranig boerenbedrog van dichters:
Mannen, bressen om te dichten,
Verliezen die maar, met of zonder bidden,
Langer weerstand hadden moeten bieden.

II

naar Insensibility (IV & VI)

Gelukkig de piot, nog thuis, met geen benul
Ervan hoe elders, elke morgen, een paar maar
Attaqueren en veler illusies elimineren.
Gelukkig die knul. Zijn geest werd nooit gedrild.
Zijn dagen zijn méér 't vergeten waard dan niet.

Hij zingt langsheen de mars die wij
In stilte stappen, vanwege het halfduister -
Onze lange, ijdele, meedogenloze loop
Van overdonderende dag naar kolossale nacht.

Gelukkig de zieken.
Gelukkig de zotten.
Gelukkig de honden
Van alle fronten.

Maar vervloekt de klootzakken, door geen kanon
Te schokken, als waren ze verdomd van steen.
Ellendig zijn ze, en gemeen door gemis
Dat nimmer eenvoud was. Uit vrije keus
Maakten zij zich immuun. Voor medelijden
En voor alles wat nog in de mens zal rouwen
Voordat de zeeën drogen en de sterren tanen.
En voor alles wat al rouwde om de velen die
Van deze oever voeren, en voor al wie delen
In het eeuwig wederkerige van tranen.

 

Insensibility

    I

Happy are men who yet before they are killed
Can let their veins run cold.
Whom no compassion fleers
Or makes their feet
Sore on the alleys cobbled with their brothers.
The front line withers,
But they are troops who fade, not flowers
For poets' tearful fooling:
Men, gaps for filling
Losses who might have fought
Longer; but no one bothers.


    II

And some cease feeling
Even themselves or for themselves.
Dullness best solves
The tease and doubt of shelling,
And Chance's strange arithmetic
Comes simpler than the reckoning of their shilling.
They keep no check on Armies' decimation.


    III

Happy are these who lose imagination:
They have enough to carry with ammunition.
Their spirit drags no pack.
Their old wounds save with cold can not more ache.
Having seen all things red,
Their eyes are rid
Of the hurt of the colour of blood for ever.
And terror's first constriction over,
Their hearts remain small drawn.
Their senses in some scorching cautery of battle
Now long since ironed,
Can laugh among the dying, unconcerned.


    IV

Happy the soldier home, with not a notion
How somewhere, every dawn, some men attack,
And many sighs are drained.
Happy the lad whose mind was never trained:
His days are worth forgetting more than not.
He sings along the march
Which we march taciturn, because of dusk,
The long, forlorn, relentless trend
From larger day to huger night.


    V

We wise, who with a thought besmirch
Blood over all our soul,
How should we see our task
But through his blunt and lashless eyes?
Alive, he is not vital overmuch;
Dying, not mortal overmuch;
Nor sad, nor proud,
Nor curious at all.
He cannot tell
Old men's placidity from his.


    VI

But cursed are dullards whom no cannon stuns,
That they should be as stones.
Wretched are they, and mean
With paucity that never was simplicity.
By choice they made themselves immune
To pity and whatever mourns in man
Before the last sea and the hapless stars;
Whatever mourns when many leave these shores;
Whatever shares
The eternal reciprocity of tears.

 

Bij 't zien van onzer artilleriestukken, in actie gebracht

Gij lange zwarte arm, verheft u zoetjesaan.
Torent ten Hemel als een ketter in verzoeking,
Zwaait steil de moffen toe en doet hun ondergaan
Het hels en jarenlang kabaal van uw vervloeking.

Haalt naar die Hoogmoed uit. Uw storm heeft hij te goed;
Ja, slaat hem neer aleer zijn kwaad de wereld schaadt.
Zet hun de Haat betaald, Kanon. Vergoedt, vergéldt
Ons goud met vlammengloed, ons bloed met uw geweld.

Doch weest, om elke man die door uw wrede vloek -
Ofschoon hij vrij van vetes was - verrekken moet,
Nooit teruggetrokken, zwarte arm - uw leed berokkend -

In ons gemoed als in een veilig, warm asiel.
Want weet dat God, als ooit uw ban is uitgewoed,
U zelf vervloekt en wegcastreert uit onze ziel.

 

On Seeing ace of Our Artillery Brought into Action

Be slowly lifted up, thou8 long black arm,
Great gun towering towards Heaven, about to curse;
Sway steep against them, and for years rehearse
Huge imprecations like a blasting charm!
Reach at that Arrogance which needs thy harm,
And beat it down before its sins grow worse;
Spend our resentment, cannon, - yea, disburse
Our gold in shapes of flame, our breaths in storm.

Yet, for men’s sake whom thy vast malison
Must wither innocent of enmity,
Be not withdrawn, dark arm, thy spoilure done,
Safe to the bosom of our prosperity.
But when thy spell be cast complete and whole,
May God curse thee, and cut thee from our soul!

 

VERMINKT

Hij wacht af in zijn rolstoel tot de zon verzwakt
Maar rilt reeds nu in zijn bekakte grijze pak -
Geen pijpen, lege mouwen. Door het park de galm
Van jongensstemmen, treurig makend als een psalm:
Stemmen van spel en pret in volle zomertijd
Tot slaap ze weg zal moederen uit zijn bereik.

Steeds om dit uur barstte zijn Stad van 't goede leven,
Toen gloeilampen in blauwe berken gingen bloeien
En meisjes glanzend dansten, nee: op wolkjes zwééfden -
Vroeger. Voor hij ze weggesmeten heeft, z'n knieën.
Nooit voelt hij nog hoe rank, geschapen om te stoeien,
De taille is van liefjes, hoe subtiel hun hand:
Men raakt hem aan als droeg hij drie epidemieën.

Er was een kunstenaar op zijn gezicht verzot
want het was 'jonger dan zijn jeugd' - verleden jaar.
Nu is hij oud. Van nek tot stuit kraakt ieder bot.
Zijn kleur verloor hij ver van hier - hij stortte haar
In kraters uit, zijn aders kwamen droog te staan,
Een half bestaan liep uit hem weg op een brancard
Terwijl een paarse vloed spoot uit zijn beide benen.

Ooit hield hij van een bloedvlek op zijn kuit of schenen -
Na voetbalmatchen, hoog op schouders rondgedragen...
't Was na zo'n wedstrijd, door wat pilsjes aangeschoten,
Dat hij op stel en sprong tot krijgsdienst had besloten.
Waarom? Hij zit het zich nog altijd af te vragen.
Iemand zei ooit: 'Jij zou er als een god uitzien
In uniform. 'Zodoende. En om zijn Katrien
Plezier te doen, misschien; om élke zotte kont
Te imponeren, ja - zo koos hij voor het front.

Hij hoefde niet te bedelen. Men schreef terstond
Zijn leugen op. Met knipoog: 'Leeftijd?' 'Negentien.'
Aan Duitsers dacht hij niet, werd niet van walg vervuld
Om ook de Oostenrijkse schuld, hij kende nog
Geen vrees voor Vrees. Hij dacht aan de ivoren kolf
Van officiersrevolvers, monter salueren,
Verlof, soldijtekort, geweren demonteren,
Esprit de corps en tips voor groentjes in de troep...
Hij ging met tromgeroffel en hoerageroep.
Toen hij weer thuiskwam, stond een handvol ook te roepen
Maar niet zoals een massa om een doelpunt juicht.
Alleen een doodernstige man met een mand fruit
Bedankte hem - maar informeerde naar zijn ziel.

Voortaan

Maakt hij zijn zieke jaren zoek in Instituten,
Gehoorzaam aan de regeltjes voor zijn profiel
En openstaand voor elk vorm van medeleven
Die tucht nog uit wil delen aan zijn slag rekruten:
Vanavond merkte hij hoe alle vrouwenogen
Van hem naar sterke mannen schoven - sterk en gaaf.
Hoe koud en laat is het! Wie voert hem weg? Wie draagt
Hem naar zijn bed? Waarom moet hij dat zelf steeds vragen?

 

Disabled

He sat in a wheeled chair, waiting for dark,
And shivered in his ghastly suit of grey,
Legless, sewn short at elbow.  Through the park
Voices of boys rang saddening like a hymn,
Voices of play and pleasure after day,
Till gathering sleep had mothered them from him.

About this time Town used to swing so gay
When glow-lamps budded in the light-blue trees
And girls glanced lovelier as the air grew dim,
-- In the old times, before he threw away his knees.
Now he will never feel again how slim
Girls' waists are, or how warm their subtle hands,
All of them touch him like some queer disease.

There was an artist silly for his face,
For it was younger than his youth, last year.
Now he is old; his back will never brace;
He's lost his colour very far from here,
Poured it down shell-holes till the veins ran dry,
And half his lifetime lapsed in the hot race,
And leap of purple spurted from his thigh.
One time he liked a bloodsmear down his leg,
After the matches carried shoulder-high.
It was after football, when he'd drunk a peg,
He thought he'd better join.  He wonders why . . .
Someone had said he'd look a god in kilts.

That's why; and maybe, too, to please his Meg,
Aye, that was it, to please the giddy jilts,
He asked to join.  He didn't have to beg;
Smiling they wrote his lie; aged nineteen years.
Germans he scarcely thought of; and no fears
Of Fear came yet.  He thought of jewelled hilts
For daggers in plaid socks; of smart salutes;
And care of arms; and leave; and pay arrears;
Esprit de corps; and hints for young recruits.
And soon, he was drafted out with drums and cheers.

Some cheered him home, but not as crowds cheer Goal.
Only a solemn man who brought him fruits
Thanked him; and then inquired about his soul.
Now, he will spend a few sick years in Institutes,
And do what things the rules consider wise,
And take whatever pity they may dole.
To-night he noticed how the women's eyes
Passed from him to the strong men that were whole.
How cold and late it is!  Why don't they come
And put him into bed?  Why don't they come?

 

APOLOGIA PRO POEMATE MEO

Ook ik zag God door bagger -
Op wangen craquelerend als hier stakkers lachten.
De oorlog gaf hun blik meer gland dan ooit hun bloed
En deed ze luider proesten dan een kind zelfs doet.

Het wás goed lachen daar -
Waar doos absurd was en absurder nog het Leven
Dankzij de macht (ons mes in buik en keel gedreven)
Noch walg te voelen, nog de spijt van moordenaars.

Ook ik verloor mijn vrees -
Vlak na het spervuur, roerloos als mijn peloton,
Zond ik ontstuimig helder opstijgend mijn geest
Het Niemandsland voorbij, waar alle hoop begon.

Ook ik ervoer extase -
Gezichten die mij vaak verwensten, vloek om vloek,
Straalden verhit, in offervaardige verbazing,
Voor één uur angeliek en toch vol vuil gekoekt.

Ook ik smeedde verbonden -
Van jonge minnaars onvermeld in oude zangen.
Want liefde gaat niet om 't verbinden van twee monden
Met zijdedraad van blikken, lokkend van verlangen,

Met zachte boeien, in de Lust gespeeld gevangen -
Maar spalkend met verroeste prikkeldraad omwonden;
In de mitella van een lamme arm gehangen;
Of met een koppelriem de pens weer dichtgebonden.

Toch kon ik schoonheid merken
In dure, schorre eden die onze moed versterkten;
In nachtmuziek van zwijgzaamheid, tijdens de wachten;
In bommenstormen, vol paniek en jammerklachten.

Maar deelt gij niet de hel
Met wie gekweld zijn in de diepste nacht der hel -
Wier land het dalen van één lichtkogel beslaat,
Wier hemel slechts de snelweg is voor een granaat -

Verstaat gij niet hun pret.
Nooit zult gij weten waarom zij zijn opgezet
Met elke mop van mij. Zij zijn uw tranen waard.
Gij zijt niet waard wat hun de lach niet heeft belet

Apologia pro Poemate Meo

I, too, saw God through mud --
    The mud that cracked on cheeks when wretches smiled.
    War brought more glory to their eyes than blood,
    And gave their laughs more glee than shakes a child.

Merry it was to laugh there --
    Where death becomes absurd and life absurder.
    For power was on us as we slashed bones bare
    Not to feel sickness or remorse of murder.

I, too, have dropped off fear --
    Behind the barrage, dead as my platoon,
    And sailed my spirit surging, light and clear
    Past the entanglement where hopes lay strewn;

And witnessed exultation --
    Faces that used to curse me, scowl for scowl,
    Shine and lift up with passion of oblation,
    Seraphic for an hour; though they were foul.

I have made fellowships --
    Untold of happy lovers in old song.
    For love is not the binding of fair lips
    With the soft silk of eyes that look and long,

By Joy, whose ribbon slips, --
    But wound with war's hard wire whose stakes are strong;
    Bound with the bandage of the arm that drips;
    Knit in the welding of the rifle-thong.

I have perceived much beauty
    In the hoarse oaths that kept our courage straight;
    Heard music in the silentness of duty;
    Found peace where shell-storms spouted reddest spate.

Nevertheless, except you share
    With them in hell the sorrowful dark of hell,
    Whose world is but the trembling of a flare,
    And heaven but as the highway for a shell,

You shall not hear their mirth:
    You shall not come to think them well content
    By any jest of mine.  These men are worth
    Your tears:  You are not worth their merriment.


Terug naar de KunstKolom over Pieter Breughel.

home tekenlog schilderijen ruimtelijk werk grafiek reprocitaat kunst kolom video/ audio fotografie tekeningen
contact