Constantijn Huygens (1596 - 1687)


Constantijn Huygens en Susanne van Baerle "Sterre" door Jacob van Campen

De hier weergegeven gedichten van Constantijn Huygens bezingen zijn liefde voor Sterre, zijn vrouw. Het laatste gedicht "Op de dood van sterre" geeft uiting aan zijn grote verdriet bij haar overlijden. Hoe heeft de relatie tussen Huygens en Suzanna van Baerle zich ontwikkeld? Ze is zijn nicht, wat jonger dan hij (1599) en al op jonge leeftijd wees. De jonge rijke wees is een begeerlijke huwelijks kandidaat. Vader Christiaen Huygens tracht in eerste instantie zijn oudste zoon Maurits aan haar te koppelen. In deze periode (1622 - 1625) dingen meerdere kandidaten naar Suzanne's hand, ondermeer de dichter P.C. Hoofd, echter allen zonder resultaat. In september 1626 ontbrandt ook bij Constantijn blijkbaar de vlam. Een aantal gedichten en zijn dagboek getuigen daarvan. Deze keer is de liefde blijkbaar wel wederkerig en in januari 1627 wordt Suzanna van Baerle zijn Sterre. OP 6 april 1627 heeft het huwelijk plaats.

AEN STERRE


’Khebb tongen t’ mijn’ verdoen: ’khebb dorpen min dan Steden
    Ten uytvoer van mijn’ saeck beleefdelick bereidt;
    ’Khebb vrienden, in getal, als ’tsand ten oever leit,
In aensien, menighmael meer waerd dan mijn’ gebeden;
(5) ’Khebb, hadden’t andere, sij wisten ’t te besteden
    Ten plaester yeder een van sijn’ afsienlickheid;
    Maer, ô mijn laeste keur van nu in eewigheid,
Voor haer gemeene gonst verkies’ ick verr uw Reden;
    Uw’ reden, en alleen uw’ reden soeck ick aen;
    (10) Verbiedt ghij mij die door om t’uwent in te gaen,
’T sal noyt mijn’ trachting zijn van sijdweghs in te delven.
    Neen, Sterre, ’kben jalours van wat u eigen is,
    En wie wat met u deeldt maeckt dat ick ’tmijne miss,
Soo soeck ick u alleen te dancken voor uw selven.


Constantijn Huygens en zijn klerk door Thomas de Keyser 1627

AENDE SELVE


Oft vrij ick averechts; oft most ick mij doen dragen,
    En veilen ter genaed’ van d’een’ oft d’ander’ tong;
    Die mij gingh schilderen voor aengenaem, voor jong,
Voor wel en wijsselick besteder van mijn’ dagen,
(5) Voor vroed, voor lettermann, voor fix op alle vragen,
    Voor regen-rijck in ’t natt daer Leda van ontfong,
    Voor all dat ijemand is die oyt na Sterre dong,
En voor mij yyt den bedd’, na mijn wild dorste jagen?
    Neen, Sterre, stondt ghij schoon op d’ uytspraeck van dat woord,
(10) Mits mij een derde mann dat woord most overtellen
In soo verdeelden gunst soud’ sich mijn’ ongunst quellen,
    En ’tsall mijn vijand zijn wie dat het voor mij hoort.
Nu vrij ick u der moeyt, en tred’ u selver tegen,
Segt jae, maer seght het mij, dat zijn de kortste wegen.


Constantijn Huygens door Lievens 1626

AENDE SELVE


De sterren-konst lydt last: dat heefts’ u danck te weten,
    Mijn’ Sterre, mijn Comeet geworden met een’ lonck.
    Wel hebb ick droogen damp sien gloeyen tot een vonck;
En strax van niet tot ijet, en weer te niet versleten;
(5) Maer sift ick all ’tversier van ghissers, van poËten,
    Van Hemel-cijferaers, ick vind’er oud noch jonck
    Die de Nature derv’ belasten met dien spronck,
Dat ongesien verschepp van Sterren in Cometen.


Constantijn Huygens portret 1655


Van d’ure dat ick waeck
En sluype t’mijnent in door ’t splijten vanden vaeck,
Staet Sterre voor mijn’ ooghen,
Mijn’ ooghen trane-vocht, die dan maer eerst en drooghen,
Gelijck de dauw verdwijnt
Van dat de Morghen-sonn de droppelen beschijnt.
Sterr, segh ick, Morghen-Sterre,
Die verre van mij staet, en noch, en noch soo verre,
En noch soo verre laet,
(10) [Als daer het hooghste licht van all’ in ’t ronde gaet,]
Hoe kont ghij Sterre wesen
En houden teghens mij soo staegh, soo fieren wezen,
En staen als een Comeet
Die, verr van tintelen, van wencken niet en weet?
(15) Kan ’t Sterren-licht bevriesen,
En gaen de Sterrheit quijt, en heel de daed verliesen
En houden heel den naem?
En, Sterre, staet ghij toe dat sich Nature schaem’
Der plaetse die s’ u gonde
(20) Van doe sij ’thelle holl der Hemelen berondde,
En van genoeghen loegh
Mits dats’ u naerde Sonn de tweede plaets opdroegh?
All kont ghij mij vergeten,
Die heldere geboort en mooght ghij niet ontweten,
(25) En onder uw geslacht
Soo menigh minder licht dat stadich staet en lacht.


Constantijn Huygens portret 1658

CUPIO DISSOLVI. OP DE DOOD VAN STERRE


Of droom ick, en is ’t nacht, of is mijn, Sterr verdwenen?
    Ick waeck, en ’t is hoogh dagh, en sie mijn’ Sterre niet.
    O Hemelen, die mij haer aengesicht verbiedt,
Spreeckt menschen-tael, en seght, waer is mijn, Sterre henen?
(5) Den Hemel slaet geluyd, ick hoor hem door mijn stenen,
    En seght, mijn’ Sterre staet in ’t heilighe gebied,
    Daer sij de Godheid, daer de Godheid haer besiet,
En, voeght het lacchen daer, belacht mijn ijdel weenen.
    Nu, Dood, nu Snick, met-een verschenen en verbij,
(10) Nu, doorgang van een’ Steen, van een gesteên, ten leven,
Dunn Schutsel, staet naer bij, ’ksal ’t v te danck vergeven;
    Komt, dood, en maeckt mij korts van deze Cortsen vrij:
’Kverlang in ’teewigh licht te samen te sien sweven
Mijn Heil, mijn Lief, mijn Lijf, mijn’ God, mijn’ Sterr en mij.


Constantijn Huygens portret door C. de Visser 1658

zie ook: reprocitaat Huygens - Keyser,
en de kunstkolom over Aelbert Cuyp geheel onderaan het artikel.

home

tekenlog

schilderijen

ruimtelijk werk

grafiek

reprocitaat

kunst kolom

video/ audio

fotografie

tekeningen

contact