Constantijn Huygens (1596 - 1687)
Gedichtencyclus "Stede-stemmen en dorpen"

Aelbert Cuyp De Maas bij Dordrecht 1650
De gedichtenreeks
stede-stemmen en dorpen heeft Huygens geschreven tussen augustus en oktober 1624
in een andere volgorde dan waarin zij later zijn gepubliceerd. (zie data onder
de gedichten) Met deze reeks heeft Huygens geen nieuw genre gecreëerd. Wel
heeft hij een eeuwen oud genre op eigenwijze geïmiteerd.
Lofdichten op steden komen veelvuldig voor in de klassieke Griekse en Latijnse
poëzie. Tijdens de Renaissance komen de stede dichten opnieuw tot een zekere
bloei. Bijzonder zijn de korte Latijnse lofdichten op twaalf stemhebbende steden
van Holland door Casper Barlaeus. Zij komen in dezelfde volgorde voor als de
stede-stemmen van Huygens en ook hier worden de steden sprekend opgevoerd. (een
vorm die overigens ook al sinds de klassieke oudheid wordt toegepast) Er zijn
opmerkelijke inhoudelijke overeenkomsten, zoals in beider gedicht op Dordrecht.
Huygens: "In mijns gelijcken Schaer besitt ick ’t eerste woord;"
Barlaeus (vert.): "Van mij vraagt de Bataafse senaat de eerste stem"
- Overigens blijkt hier nog eens hoe belangrijk de stad Dordrecht was ten tijden
van Huygens, Barlaeus en Cuyp.-
Aangenomen wordt dat de tekst van Huygens iets ouder is dan die van Barlaeus. In
de 17e eeuw waren er meer dichters die lofdichten op steden schreven,
zoals bijvoorbeeld Hugo de Groot (Ostenda Loquitur en Haga ego)
De volgorde van de steden, in de gedichtenreeks, is in overeenstemming met die,
waarin de steden hun stem inbrachten op de vergadering van de Staten van Holland
en West-Friesland. De ridderschap had vanouds de eerste stem. Dan volgden de zes
grote steden, waarvan Dordrecht als eerste stemde, die de oudste stad was, waar
de graven bij hun ambtsaanvaarding werden ingehuldigd, die het muntrecht bezat,
en als hoofdstad werd beschouwd van het Zuiderkwartier, dat het eigenlijke
Holland uitmaakte. Dordrecht was bovendien het middelpunt van de wijnhandel en
mede door het stapelrecht was zij één van de belangrijkste handelssteden van
Holland. Daarna kwamen Haarlem, Delft en Leiden, die alle in de dertiende eeuw
steden van betekenis waren geworden. Dan volgde Amsterdam, vanaf de 16e
eeuw de belangrijkste stad van het Noorderkwartier en daarna, in de 17e
eeuw niet zo’n grote overgang als thans, de stad Gouda, toendertijd een
centrum van de Hollandse binnenhandel. Rotterdam, dat zich ondanks de gunstige
ligging, pas in de tweede helft van de 16e eeuw had ontwikkeld tot
handelsstad van betekenis, kwam direct na de grote steden.
Verschillende kleine steden kwamen nu en dan ter vergadering of bleven weg. Bij
een ordonnantie op de vergadering van 16 maart 1581 werd aan Gorinchem,
Schiedam, Den Briel en Schoonhoven, steden van het Zuiderkwartier, het recht
toegekend in de gewone samenkomsten afgevaardigden te zenden en te stemmen.
Datzelfde recht werd ook aan drie steden uit het Noorderkwartier verleend, nl.
Alkmaar, de hoofdplaats van Kennemerland, Hoorn en Enkhuizen, die West-Friesland
vertegenwoordigden. Ook ontving de Westfriese stad Medemblik het stemrecht. En
op de vergadering van 17 maart 1581 maakten o.a. drie kleine steden uit
Waterland, namelijk Edam, Monnickendam en Purmerend bezwaar, "dat syluiden
niet en vertsaan buyten alle Vergaderingen van de Staaten gehouden ende
geslooten te sullen worden.". Zij verlangden dat zij "als alle andere
Steeden verschreeven werden". Zo werden er 18 steden met stemrecht in de
Staten van Holland en West-Friesland vertegenwoordigd. De vergaderingen, die
enige weken en soms maanden duurden, werden in ieder geval viermaal per jaar en
volgens besluit van 16 maart 1581 "binnen den Hage" gehouden. Zo’n
vergadering stond onderleiding van de raadspensionaris. Een stad werd ter
vergadering vertegenwoordigd door een burgemeester of oud-burgemeester, een paar
schepen of oud-schepenen, en door de pensionaris van de stad, die voor de
deputatie het woord voerde en stemde. In vele gewichtige zaken werd gestemd,
waarbij eenparigheid vereist was. Wanneer er bij een stemming geen
eensgezindheid werd bereikt, moest men toch tot een besluit kunnen komen. Een
ordonnantie van 1574 bepaalde dan ook, dat, wanneer men het niet eens was, men
zich diende te onderwerpen aan het oordeel van de Prins en enige door hem aan te
wijzen leden van het Hof van Holland. Maar zo langzamerhand was de eis van
eensgezindheid t.a.v. verschillende zaken niet meer van kracht.
Omdat de vergaderingen zo lang konden duren, waren de afgevaardigden van de
stemmende steden in logementen gehuisvest, waarin ook de pensionarissen hun
werkkamers hadden. In die logementen speelde zich het politieke leven voor een
groot deel af.
De zes dorpen, ’s-Gravenhage en vijf dorpen uit de omgeving daarvan, vormen
het slot van Huygens reeks topografische gedichten.
Het is begrijpelijk, dat Huygens ’s-Gravenhage als het grootste en
belangrijkste dorp voorop stelde, en dat hij ’s-Gravesande, waar zich eertijds
het hof van de graven van Holland bevond, als tweede dorp koos. Dan volgt
Rijswijk waar zijn meester Maurits een paardenstoeterij had, daarop Loosduinen
met zijn voormalige abdij, de vissersplaats Scheveningenn en tenslotte
Valkenburg bij Katwijk met zijn bekende paardenmarkt.

Aelbert Cuyp Gezicht op Dordrecht
DEN STEMMENDEN STEDEN VAN HOLLAND ENDE
WESTVRIESLAND GELUCK
Soo scheid’ V Nijd noch Tyd, zoo werd’ hij noyt geboren
Die naer uw’ schande tracht’ die van uw’ scha will’ hooren,
Getrouwe Zusteren, hoort ijeder van ’tgeluyd
Van uw’ bekende Stem den weerslagh op mijn’ Luyt,
(5) Mijn’ onbekende Luyt, maer best genegen Snaren
Ten roem van uwen naem en hoorens waerde maren.
’Ten is niet off ick ’tSout, off ’tWater t’zeewaert droegh;
Men vindt en siet en kent sich selven noyt genoegh.
Soo verr de nutticheit. En vraegt ghij naer ’t vermaken,
(10) Hoe veiler kont ghij daer, hoe naerder aen geraken,
Die onder ’truym verdeck van ’t allgemeen gewelff
Gheen waerdiger gesicht kont vinden dan u selff?
Hag. 21°. 7b. (Sept.)

Aelbert Cuyp Dordrecht bij zonsondergang
DORDRECHT
In mijns gelijcken Schaer besitt ick ’t eerste woord;
All waer ’t mijn’ waerde niet, dat geeft mij mijn’ geboort,
En ’t planten vande kroon op onser Vooghden hoeden.
Doe sat ick inde kleij, die ook mijn’ buren voedden:
(5) Sints heeft mij eene nacht Venetien gemaeckt,
En all’ mijn’ Wandeling in Handelingh gestaeckt.
Maer off de Spaensche keel na mijne Stapel-mosten,
Na mijn’ Munt dorsten dorst, het soud’ haer ’tswemmen kosten;
Dat’s menigh’ natten voet, en water in haer’ Wijn:
(10) Is ’t niet de Land-scha waerd soo veil begracht te zijn?
Hag. 30°. Aug.


LEIDEN
’Ten ware ’tnijdigh Duyn, off ’tRhijnsch verdwaelde sogh,
Ick waer’, spijt andere, de grootste Rhijnstadt noch;
Om nevens Katwijck uyt mijn’ wrake te gaen halen
Van ’t Arragonsch gewelt. Hoe souden sij ’t betalen
(5) Die, op mijn aller weeckst, voor ’tstuyvende gerucht
Van een’ verrotten muer verstoven inde vlucht!
Nu doen ick ’s meer van verr, nu doen ick oock te Roomen
Mijn’ ware Wetenschapp, mijn’ Wijse Waerheit schroomen;
Krabt, swarte Phariseên, krabt, snoodste dien ick ken,
(10) ’Tzijn scherpe nagelen die ’t meer zijn dan mijn’ Penn.
Hag. 6°. 7b. (Sept.)

Salomon Ruysdael Amsterdam, Damplein c.1670
AMSTELDAM
Ghemeen’ verwondering betaemt mijn’ wond’ren niet,
De Vreemdeling behoort te swijmen die mij siet.
Swijmt, Vreemdeling, en segt, Hoe komen all’ de machten
Van all dat machtigh is besloten in uw’ grachten?
(5) Hoe komt ghij, gulde Veen, aen ’s hemels overdaedt?
Packhuys van Oost en West, heel Water en heel Straet,
Tweemael-Venetien, waer’s ’tende van uw’ wallen?
Segt meer, segt, Vreemdeling. Segt liever niet met allen:
Roemt Roomen, prijst Parijs, kraeyt Cairos heerlickheit;
(10) Die schricklixt van mij swijgt heeft aller best geseyt.
Hag. 7°. 7b. (Sept.)

Chr. Pierson (1631 -1714) Kasteel Gouda
GOUDE
Mijn’ Gouwe voert meer Gouds, mijn’ IJssel meer gewins,
Dan Tagus gulde grond ter borse van sijn’ Prins.
’Khebb meer van hun te bat’: Doe mijn’ gebuer-Stadt brandden,
En baedden in haer bloed haer’ moordenaren handen,
(5) Ontswomm ick hun gewelt, en duyckten in mijn’ Gouw,
En kroôp mijn’ Ysseldiept’ ten hals toe inde mouw.
Spijt Spagnen dan ick sta: Oock sonder d’ oude muren
Van ’t Kasteleins gebied. Wie zijt ghij mijner Buren
Die door den neus noch spreeckt, en mij ’t gebreck verwijtt?
(10) Ick segge t’mijnen roem’, ’k ben Brill en brillen quijt.
Hag. 9°. 7b. (Sept.
ROTTERDAM
’Tzij Wael, off Rhijn, off Maes, off alle drij te saem,
’Tzij Yssel, Merw, off Leck, off drij in eenen naem,
Off zess in eenen buyck; sij moeten t’mijnent buren,
En willen niet in Zee off kussen eerst mijn’ muren;
(5) Mijn’ muren soo gereckt, mijn’ soo gerijckten grond,
Dat die mij nu besiet kan vragen waer ick stond.
O muren, en ô grond, ô welgevoegde Stroomen,
Wijckt voorde Wilderniss der averechte Boomen,
Maer wijckt voor haer geluck: En, Vreemdeling, segt ghij,
(10) Hoe verr en wint het niet mijn’ Mase van haer IJ?
18°. 7b. (Sept.)

Jacob van der Ulft Gorichem Tolhuis 1654
GORICHOM
Die mij benijdelick ’s hooghs Arckel-huys besitt
Ter aerden effende was verre van sijn witt:
Wat gell ick zedert min, wat kan ick minder gelden
Soo lang mijn’ muren staen, en ’tklaver in mijn’ velden
(5) Voor klaver niet en wijckt? zoo lang mijn’ volle Merw,
Mijn’ Welgewrongen melck, mijn’ altyd-bollen terw
Te winste van mij haelt; soo lang mijn, aerde Punten
Het oogh verbijsteren dat op mij derve munten?
Segt dan, seght selver, Nijd, segt met den bitsten beck,
(10) Maer segt waerschijnelick, Wat ’s Gorichoms gebreck.
Hag. 18°. 7b. (Sept.)
SCHIEDAM
Twee Stroomen scheiden mij van ’t achterleggend’ Land,
De derde sluyt den ring en geeftse bey de hand:
In ’t midden staet mijn stoel op welgesteunde stijlen;
Daer oeffen ick mijn’ jeugt op ’t noodigh kennep-quijlen,
(5) En ’truggelingh gespinn, die reckt haar spinsel uyt
Tot dat het licht en dicht den Haring-buyt besluyt,
En ’t mijnent binnen sleept, van daer hij met mijn’ Brieven
Noch eens ter Zee geraeckt de Werelt gaet gerieven.
Die mij klein Rotterdam en groot Delfshaven noemt
(10) Heeft niet te laegh gelaeckt en niet te hoogh geroemt.
20°. 7b. (Sept.)
SCHOONHOVEN
De beurt en wederbeurt van ’t nemmer-staende rad
Daer ’s Werelts werr op draeyt heb ick op ’truymst gehadt:
Noch is mijn overschot van d’eertyds schoone Hoven,
De Peters van mijn’ naem, voor andere te loven.
(5) Wat schaedt mij ’t op en neer? ’khebb mannelick geleên,
En meest all winnende, minst wijkende gestreên,
Maer evenwel gestreên. Land-Voogden, die de stangen
Van dit gebiedt berecht, ’kweet meer als Salm te vangen:
Off ’t weer op ’tprangen quam, denckt hoe ick voormaels dé,
(10) En stelt in ’tWapen-boeck, Schoonhoven staet voor twee.
17°. 7b. (Sept.) Hag.

J. Keller, Briele, De Watergeuzen voor de poort van Den Briel
BRIEL
’K en ken geen Heele meer, en Breehiel is mij vremt:
Nu houd’ ick ’t met den naem die op den neuse klemt:
Dat werde Phlips gewaer, die door mijn’ Brill-gelasen
All vroegh sijn’ avont-uer, en hoe ’t ’er noch sou rasen
(5) Om Hollands Vrijheidt, las. Wat leght mij aenden loff
Van uyt de diept’ gedyckt, van kley geworden stoff,
Van stercke Zee-gebuert? ’khebb door het spits gebeten,
Dat heeft vrij Nederland mijn’ tanden danck te weten:
Daer gaet’er veel ten strijd’, en ’twinnen wordt gemeen,
(10) En volgers winnen oock, maer voor en wint maer een.
21°. 7b. (Sept.) Hag.

P.G. Vertin (1819 - 1893) Alkmaar Stadsgezicht met de Waag
ALCKMAER
’T was All Meer daer ick sta, en nu is ’t vrij all meer;
Soo haest Verone viel be-erfden ick haer’ eer,
En groeyden uyt haer Ass, tot dat ick oock eens ass werd,
En wederom verreês, en dubbel wel te pass werd.
(5) Sints segt de Vreemdeling die op mijn’ waerde lett,
Waer isser eene meer soo suyver en soo vett?
Dat sagh de Spaensche Wolf, die na mijn’ adren dorste,
Doe noch het Haerlemsch bloed sijn’ aderen uyt borste;
Maer, eere zij den God die ’thooge boos verworpt,
(10) Hij weêck, en hadd’ es meer gespogen dan geslorpt.
Hag. 12°. 7b. (Sept.)
[
HOORN
Ben ick de MoederStad van soo veel moedigh bloed,
Dat soo veel wondren dé, en soo veel wondren doet;
Van Mannen die vermant voor Mannen noyt en weken,
Van Zeilers die verzeilt voor Zeilers noyt en streken;
(5) Heb ick van allen eerst ’tgroot Haring-nett gebreydt,
Van allen eerst gespreidt, van allen eerst verbreydt;
Ben ick de Zuyvel-mouw van voor en achter Stavren;
Ben ick soo verr ick sie de Vrouwe vande Klavren;
En vraegtmen hoe ick Hoorn van ouds herr heeten moet?
(10) En heet ick anders recht als Hoorn van Overvloed?
Hag. 12°. 7b. (Sept.)

Cornelis Pronk, Enkhuizen, Oost-Indisch huis 1729
ENCHUYSEN
Van enckel’-Huysen is groot Roomen opgegroeyt,
En ick van enckele. Groot Roomen heeft gegloeyt,
En ick ben platt gebrandt: groot Roomen is herboren,
En ick van niews herbouwt, bey beter dan te voren:
(5) Groot Roomen heeft sijn jock den Spagnart opgedruckt,
En ick mijn’ vrijen hals het Spaensche jock ontruckt.
Noordholland, hebt uw deel in d’eere van uw’ vrijheit,
Maer weet dat d’eerste steen van ’tgroote werck in mij leit,
En, quam de heele buert te deinsen tot den vall
(10) Weet dat ick daer toe noyt den laesten leggen sal.
Hag. 11°. Sept.
MONICKENDAM
’T Zuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam
Die van een Monick-Meer wel eer sijn doopsel nam.
Meer eertyds, nu niet meer, hoe sien ick uwe baren
Van baren ingeslockt? als minder Visschen varen
(5) Van die haer meerder zijn. En, vraegh ick ’t oock de faem,
’Ken leere geen bescheyt van d’ouder baren naem.
Al vult ghij dan mijn ’ Schilt, staet buyten halve-Papen;
Om blijven dat ick ben behoev’ ick meer als ’tgapen:
Mijn’ Borgers moeten bey Godsdienstich zijn en koen;
(10) Hun wel-zijn hangt gelijck aen ’tBidden en aen ’tdoen.
Hag. 16L. 7b. (Sept.)
MEDENBLICK
West Vriesen, weest getuygh, ’khebb Koningen gevoedt,
West Vriesche Koningen, de Voogden van uw goed.
Maer dat ick mé den blick van Waerheits helle stralen
Mijn’ gulde Toovenaers’ ter Hellen sagh doen dalen,
(5) Was meer verheugens waerd, en ’tdienen onder God
Veel vrijer vrijicheit dan ’tConincklick gebod
Daer Godes niet en was. Noch staen ick verr van ’tslaven,
Maer vrijelick ten dienst die mij de Vrijheit gaven;
All heb ick over lang de gunsticheit beloont,
(10) En Holland eerst het pad naer ’tGulde Vlies gethoont.
Hag. 18°. 7b. (Sept.)
PURMERENDE
Hoe oud en ben ick niet die ’t selver niet en weet?
Hoe weet ick’t, die soo jong soo menigh meester sleet?
Sints Eggerts dicke Beurs den jongen Vorst verbonde,
Die mij te danckbaerheit het hooge Huys vergonde.
(5) Maer dobbel was de gonst, all was sij ’t bij gevall,
Van die mijn’ wooningen besloten in een’ Wall;
Met werd ick Stad genoemt, met heb ick stad gegrepen
In ’s Vaderlands bewint; daer segh ick onbegrepen
Off, Ja, wanneer ’tmij lust; off, als ik weigher, Neen:
(10) Wat schaedt mijn’ kleinicheit? de grootste en zijn maer een.
Hag. 13°. 7b. (Sept.)
AEN IOFF.
’S GRAVESANDE
Al swoer ick wat ick was ick vonde nauw gelooff;
Wie t’ ’S Gravesande voer die gingh wel eer te hooff.
Mijn’ Sandvloed’ hebb ick sints mijn’ Sondvloed moeten noemen
En ’s Graven Marmeren in Duynen sien verdoemen.
(5) Nu zijnder dat ick was. Maer daer de kloot op gaet
Is een bedencklick punt, Soo is de tijd die staet,
En Nu is nu verbij, en Zijn en is maer vlieten,
Herdenkens achter-om het stadigste genieten;
Stelt Was en Is bij een, wat schilt den Haeg en ick?
(10) Een tegenwoordicheit, geen thiende van een snick.
Hag. 16°. Aug.
RYSWYCK
Mijn Rijs en wijckt voor geen, soo lang Castilien wijckt
Voor Nassaus hooger hand, die ’t dagelix verrijckt.
Men mocht mij op de rij van mijns gelijcken tellen,
Maer Mauritz is te verr voor sijns gelijck te stellen,
(5) Die luyster hangt mij aen. Men noeme mij dan stoff,
Ick noeme mij sijn Hoff, ten minsten sijnen Hoff.
’Tviervoetighe gebroed, sijn liefste Hovelingen
Sijn aen mijn’ borst gespeent; waer Spagnen is te dwingen,
Daer worden sij met Hem ten voorsten uyt gesett,
(10) Verdien ick niet wat loffs in ’s Vaderlands ontsett?
Hag. 16°. Aug.
LOOSDUYNEN
Geen looser Duyn dan ’t mijn, geen graselooser stoff,
Oock op mijn krachtichste geen dorrer Monick-hoff:
Noch lev’ ick inden mond van gierigh’ ondervinders,
Die geen verwondering en stellen voor mijn’ kinders;
(5) Danck hebb’ Griet Floris kind, en ’tvinnigh bedel-wijff
Die heel den Almanack dé krielen uyt haer lijff,
En ’t halve jaer na Jan, en ’thalf na Lijs sagh noemen.
Men magh groot Amsteldam om ’t jegenwoordigh roemen,
Mij viertmen om dat was, zoo doetmen Roomen oock,
(10) Dat was een schooner Vier, maer wat verschilt de roock?
Hag. 13e. Aug.
SCHEVERING
Al waer ’t oock Schepering, de naem betaemde mij,
Soo pass ick op het nett en ’tsiltige getij;
Ghij weet het, leckren Haeg die zess gevoerde Vissen
Voor drij gedragene vermuylen kont en missen.
(5) Noch is mijn Wagen ruym mijn’ Pincken dubbel waerd;
Mijn’ Pachters prijsen oock sijn zeilen bijder aerd
Voor d’oude waterkonst die ’tgoud soo verr gaet halen:
’Tis waer noch vinn, noch veer en kan hem onderhalen,
Noch Aeols hollen aêm, noch Titans helle tredt,
(10) Hij loopt het all verbij, maer hunluy alltijd met.
Hag. 14. Aug.
VALCKENBURG
Zoo verr vier voeten gaen, vier voeten in ’tbeslagh,
Vier voeten inden dwang Van Ruyterlick gesagh,
Zoo verr men ringt en springt, onthaeltmen de geruchten
Van mijn’ September-feest en woelende genuchten.
(5) Die mijne Peteren mijn aenstaen hadd’ vertelt,
Sij hadden mijnen naem in Paerdenburgh verspelt.
Gelijck het koren gaet op, door, en uyt den Moelen,
Soo treck, soo send ick uyt het meer en minder Voelen.
Wat dunckt u, Vreemdelingh van ’twederzijds verstand?
(10) Heel Nederland vult mij, en ick heel Nederland.
Hag. 12°. Aug.