de boot, waarin zich
moet laten schommelen
een man. Een vrouw
aan wie wordt gedacht, door de man,
tot op het laatst misschien.
en dan de ogen te moeten sluiten
om te zien hoe, bij kalme zee
en bij helder zicht, de boot keer
op keer, steeds indringender,
dezelfde rotspunt raakt.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Lichtval:
met redenen omkleed
opent zich de stilstand
van iets anders dan huist
in dit lemmer, oplichtend
zoals het is, nog door geen
bloed verzocht en verleid,
als ging het om een zien
al om zichzelf versaagd,
en om zichzelf herleid
tot zijn oorsprong.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Gemurmel, voorafgaande
aan het murmelen.
De zich geopende mond,
toegedaan met zijn mondvol zand.
dat het hier geen strand is;
hoe het strand hier niet is waar
ik ben. Het zich doorstervende,
tijdens ontsluiting. Zo een kort-
stondig gegrild blijven hebben,
in zijn oogopslag bevroren;
het zicht tot leven
wekkende, zich
verheffende dodelijke.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Achter het licht zijn daden dood.
Zodra het nacht wordt
zijn asters ooit.
Terwijl de kater zich verheft
alsof hij vertrekt, opent of
sluit zich een oester,
nadert de stekelroggin,
drachtig, de kust,
de vishaak, haar net.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Is het dan toch een droom;
en de droom
zelf ook weer een droom:
een belofte die wordt ingelost,
zoals wanneer ik mijzelf nakom,
te na kom, een trap af vallend,
de ontbrekende treden inderhaast
vergeten, gehouden, ook nu,
aan diezelfde regels
onder aan de trap, daar
in het woestijnzand verloren.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Nu duurt het niet lang meer
of uit de kiem maakt zich los
een van die voorspellende
herinneringen: een doorwaadbare
plaats in de rivier om zich
te doorwaden. En dat ik telkens zie
hoe een van die muildieren, met zijn
balen doordrenkte purperen wol,
zich schrap zet en de over
op komt, terwijl intussen het water
almaar neerstroomt uit de wol.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Of ontstond door het toeven,
door zich in te houden
en door hier te blijven
het vergetensgelijke als van-
zelf: het altijd terugwijkende,
zich hernemende stervensverre
vlietende; alsof deze of gene,
onbewegelijk achterover leunend
in zijn bad van rook en zout,
vereenzelvigd raakte met de
stroom, de bedding, de reis.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Licht, dat eerste nog was komen
snuffelen aan dat lichaam, achter-
gelaten, ademend, intact, door dat
lichaam zelf – en ineens weg is,
weg wilde zijn. Of:
dat de plof waarmee de appel neer-
viel en de grond heeft gehaald,
mij wekte, opdat ik ontwaakte,
en ik, mij op een haar na gemist
hebbend, die appel moest oprapen
om mij te kunnen verorberen.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Avond; het klein
geritsel in de struiken
heeft een aanvang genomen.
Voorzichtig begin ik de dag
te prijzen: helderheid
waarin ik overeind bleef,
hitte waarin ik mij
heb bewogen. Als straks
het vliegtuig van tien uur
overkomt, geef ik het teken met
mijn glas, wacht tot de jakhalzen
beginnen te huilen; sta op
en sluit af; kleed mij uit, ga
liggen en ben nergens meer.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Vlakte, bewoond nog
door riet. Hemel, heen-
gesneld. Doorluchtigste
vernederingen: zomerse koning,
gewassen in schaambloei.
O, uiteindelijkste wiekslag;
dood stillende wankeldans.
En hoe het zich blijft onthouden,
terwijl het voorbij gaat, durend,
strijkend langs en omcirkelend
het midden: dat zich herinnert
één ding, twee dingen;
alle dingen.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Open, onherkenbaar.
De zich folterende
wordt niet langer gefolterd.
Het is tijd: met een ruk
gaat het gordijn open:
das Jenseits – gezicht op Rhenen,
de andere oever. De zich niet meer
herkennende dolk; de tussen klaprozen
in elkaar geschoven zwanehals. Later
echter, in mijn eigen tijd, zo een grote
zwarte kraai, van het vasteland gekomen,
aanvliegend boven dezelfde zee
die nog zo naruist in de schelp,
hier, op mijn handpalm.