Aelbert Cuyp (1629 – 1691)
Op de middelbare school wist mijn leraar Nederlands mij – en vele anderen
– schijnbaar moeiteloos een zekere liefde voor de literatuur bij te brengen.
Het werk van Reve en Wolkers rade hij ons consequent af, hoewel alle titels in
zijn klaslokaal royaal voor handen waren vroeg hij altijd of we het wel zeker
wisten wanneer we er een wilden lenen. "… nee, doe maar niet, … hier
zijn jullie nog veel te jong voor, …" Een grotere aanbeveling hadden we
niet nodig en "Nader tot u" en "Kort Amerikaans" gingen van
hand tot hand.
Overigens bleef het niet bij gemakkelijk scoren. In drie jaar tijd voerde hij
ons de gehele literatuur van middeleeuwen tot nu door. Voor iedere periode
hadden we een verplichte leeslijst, maar volgens mij was dat nauwelijks nodig.
Klassikaal, in groepjes en individueel lazen we ons door de
literatuurgeschiedenis.
Nog zie ik hem voor me, meneer (dat weer wel) Van Dijk, een dikke wat
uitgezakte, grijze man met donkere wallen onder zijn ogen minstens drie brillen
waar hij constant mee speelde en die hij voortdurend kwijt was.
Nog hoor ik zijn aanbevelingen en vijfendertig jaar later zijn ze voor mij soms
nog aanleiding om iets te (her)lezen. Wanneer ik op een rommelmarkt, op een
vochtig kleedje, een in donker paars fluweel gebonden boekje met het verzameld
werk van Jacques (Wie de goden liefhebben, nemen zij jong tot zich,) Perk aantref, verzameld door Willem Kloos en uitgegeven in 1917. Dan hoor ik meneer
Van Dijk weer zeggen dat we de gedichten van Jacques Perk niet mogen lezen
zonder de prachtige – verhalende – het romantisch arrangement noemt de
schrijver het zelf - biografie van Gramt Stuiveling.
Op het moment dat ik dit schrijf maakt Marjolijn Februari (Volkskrant 13 mei
2006) een vergelijking tussen de songteksten van de HipHoppers van THC (Tuindorp
Hustler Click, maar ook Terahydrocannabinol, de werkzame stof in marihuana) en
de teksten van Jacques Perk:
- THC: "Meisje, meisje wat een lichaam vergeet normen en waarden.
Geconcentreed op je glanzende haren en mooie vormen. Je stijl zo flex, klasse
tot de mix. Ik kijk in je ogen en wat ik zie is sex." (…) Inhoudelijk
verschild het weinig van de Mathilde-cyclus die Jacques Perk schreef op zijn
twintigste: "En peinzend zie ‘k uw zee-blauwe oogen pralen, Waarin de
zachtheid kwijnt, en liefde droomt, En weet niet wat door mijne aren stroomt: Ik
zie naar u en kan niet ademhalen." Alleen de verwijzing naar waarden en
normen in de hiphop-tekst is nieuw en tragisch 21ste eeuws. Aan het
einde van de 19e eeuw kon Perk nog onbekommerd
"Grotsonnetten" over zijn aanbedene schrijven, met titels als "Sanctissima
Virgo", "Intrede", "Nedervaart",
"Fakkelglans"" en "De Grotstroom", die dan in alle
onschuld als platonisch gerichte liefdespoëzie in de schoolboeken belanden. -
Gelukkig wist mijn meneer Van Dijk wel beter, anders was ik wellicht nooit aan
lezen toegekomen. Februari verbind hieraan de conclusie dat de hoge cultuur
(Perk) veel vrijer met moraal omspringt dan de lage cultuur.

Gezicht op Dordrecht met de Grote Kerk en de Groothoofdspoort vanuit het
noorden
Aangezien de familie van Jacques Perk uit Dordrecht afkomstig is opent Stuiveling zijn biografie met een prachtige beschrijving van Dordrecht in de 18e
eeuw:
"In het midden van de negentiende eeuw was Dordrecht nog nauwelijks
anders dan zoals Jan van Goyen en Aelbert Cuyp het eertijds hadden uitgebeeld.
Met rode bakstenen gevels lagen de koopmanswoningen langs de kade, de bruine en
groene deuren deftig met koper beslagen, de raamkozijnen op gelijkmatige rijen,
en binnen iedere witte omlijsting de glasgordijnen toe. Eendere steen en stijl
kenmerkten de pakhuizen aan de havens, waar de handel de waren opsloeg, deels
door karren aangevoerd uit het nabije achterland, merendeels oer schip van ver.
Als monument van de degelijkheid der burgers in verleden en heden stonden deze
gebouwen daar in welonderhouden ouderdom. Uit hun midden hief zich de nog drie
eeuwen oudere toren, geknot in zijn verrijzing als de stad in haar groei.
Wie van Rotterdam af de bootreis had ondernomen, zag die toren al gauw achter
dijken en weilanden verschuiven, klein en grijs maar onmiskenbaar. Langzaamaan
werd hij groter, donkerder, strakker, met zijn uurwerkschilden als een vierkante
kroon. Maar eerst las men de Noord uit- en de Oude Maas in-voer, lag heel
Dordrecht open voor het oog: een Hollandse stad onder een Hollandse hemel, het
mooist bij wolken en zon. Er was een rustig komen en gaan van binnenschepen,
zwaar bevracht, de zeilen bol. En voor de stad langs, bij de kade en in de
havens, staken de masten als lansen omhoog. De golfslag van het brede water,
waar de wind overheen joeg, brak de weerspiegeling, en met de weerspiegeling de
droom."
![]() |
![]() |
|
Jan van Goyen "Gezicht op Dordrecht" |
Jan van Goyen "Gezicht op Dordrecht" |
Al lezend zie ik een voor een de schilderijen van de uit Dordrecht
afkomstige kunstschilder Aelbert Cuyp aan me voorbij trekken. Cuyp leefde
weliswaar in de 17e eeuw, maar ik stel me voor dat het verschil
tussen het 17e en 18e eeuwse Dordrecht niet zo groot is.
Wellicht heeft Stuiveling zijn beschrijvingen voor een deel ook gemaakt op basis
van schilderijen en tekeningen van Aelbert Cuyp.
In zijn tijd reikte de faam van Cuyp niet veel verder dan zijn geboortestad
Dordrecht. Tegenwoordig hangt het werk van Cuyp in vele musea over de hele
wereld. Cuyps weergave van het landschap is opmerkelijk. Buiten tekende hij het
Hollandse landschap, bomen langs de waterkant, vergezichten met stadsprofiel en
schepen bij een steiger. In de rust van zijn werkplaats inspireerden deze
tekeningen hem tot schilderijen die mijlen ver verwijderd lijken van de harde
realiteit. Het zompige land, met moeite aan de elementen onttrokken en
bovenwater gehouden, tovert hij om tot een zonnig paradijselijk oord, een
Hollandse Arcadia, overgoten met een gouden licht.
In Engeland werd het werk van Cuyp al snel ontdekt en zeer gewaardeerd. Hij
stond hier bekend als "The Dutch Claude", de Hollandse Claude Lorrain.
Deze bijnaam geeft meteen ook aan waarom hij zo werd gewaardeerd, de rustige
sfeer, het gouden licht, zijn eigen Nederlandse interpretatie van taferelen die
bij Claude Lorrain altijd in een geïdealiseerde oudheid gesitueerd zijn.
John Constabel ( 1776 - 1837) roemde het contrast tussen licht en donker op de
schilderijen van Cuyp.
William Turner (1775 – 1851) viel voor de sfeer van schepen bij kalm weer,
zoals op Boten op de Maas bij Dordrecht.
Toen Turner in 1817 Holland bezocht, deed hij ook Dordrecht aan. Zijn Dordse
pakketboot uit 1818 is een ware ode aan Aelbert Cuyp als schilder van Dordrecht,
maar vooral van water, lucht en licht. Uit Turners schetsboeken blijkt dat hij
in 1817 slechts anderhalve dag in Dordrecht heeft rond gekeken. Die korte tijd
leverde een schat aan schetsen, aantekeningen en een groot schilderij, op.

William Turner "De Dordtse vrachtboot op
Rotterdam"
Op het schilderij de Dordtse vrachtboot op Rotterdam. Het licht van Cuyp, zo schrijft Turner, steekt bijna je ogen uit. Via Turner naar het werk van Cuyp kijkend stel ik me voor, dat ook voor Cuyp de sfeer en het licht zijn eigenlijke onderwerpen zijn. Al werkend, buiten of binnen, verliest een onderwerp al snel zijn betekenis. Een kerktoren, een zeilboot, een jager of herder kan een mooi concentratie punt zijn maar al snel begint het toveren met verf en dat kon Cuyp en dat is wat we denk ik nog steeds in zijn werk herkennen en bewonderen.
Relatie tekeningen – schilderen.
Cuyp was al op jonge leeftijd een virtuoos tekenaar. In zijn vroegste schetsen
zien we dat hij zijn talent ontwikkeld en dat hij vele mogelijkheden onderzoekt.
Uiteindelijk zal hij zich in het tekenen van landschappen steeds verder
ontwikkelen. Behalve een talentvol tekenaar was Cuyp ook een zeer productief
tekenaar. Vanaf het begin van zijn kunstenaarsloopbaan bouwde hij dan ook een
voorraad tekeningen op met motieven die hij in zijn schilderijen op een meer
vrije manier verwerkte.
In zijn schilderijen gebruikt hij dan ook vaak elementen uit meerdere
tekeningen.
![]() |
![]() |
|
Landschap met oude eiken |
Landschap met herders en vee, met de Utrechtse Mariakerk |
De omgeving van Dordrecht heeft Cuyp in talloze tekeningen vast gelegd. Ook
tijdens zijn reizen naar Utrecht, Nijmegen en verder heeft Cuyp talloze
schetsboeken vol getekend.
Bijna al deze tekeningen getuigen van een voorliefde voor het gewone in de eigen
omgeving. Met deze elementen uit zijn directe leefomgeving wist Cuyp bijzondere
schilderijen te componeren.
Er is een doorlopende discussie of de tekeningen van Cuyp nu bedoeld zijn als
zelfstandige kunstwerken bedoeld voor de markt of als schetsen voor eigen
gebruik. Ik denk dat Cuyp zijn tekeningen in zijn atelier hard nodig had als
inspiratie bron voor zijn schilderijen. Dat deze voorraad heel veel groter moet
zijn geweest dan hij ooit in zijn schilderijen zou kunnen gebruiken lijkt me
evident. Bij het maken van de schetsen had hij dan ook geen voorop gezet plan
voor een schilderij. De tekeningen vormen dan ook geen directe voorstudies voor
de schilderijen. Cuyp legde een ateliervoorraad aan van tekeningen die hij
geleidelijk aan in zijn schilderijen gebruikte. Daarnaast hebben tekeningen
natuurlijk ook altijd de functie om oog en hand te oefenen.
Van veel tekeningen is ook bekend dat ze later door anderen bewerkt zijn om
ze een meer zelfstandig karakter te geven. Ook zien we dat Cuyp soms in als
voltooid aangeduid werk aangeduide tekeningen nog kleine schetsjes of
aantekeningen verwerkte. De aanduiding ateliervoorraad of werktekeningen lijkt
me dan ook het meest recht doen aan zijn schetsen. Dit maakt de schetsen
overigens niet minder bijzonder van karakter in tegendeel zelfs.
Laat ik nog eens iets wilds en zeer onkunsthistorisch beweren. Het feit dat Cuyp
in zijn schilderijen in het atelier componeerde uit elementen die hij al (vele
malen) op tekeningen had vastgelegd betekende dat hij zich kon concentreren op
de weergave van het licht en de verf. En dat is wat uiteindelijk volgende
generaties in zijn werk bewonderen en wat zijn werk voor kijkers van nu en
volgende generatie boeiend houd.

Gezicht
op de Rijnvallei (tekening)
Cuyp in Utrecht.
Cuyp tekende veel in de omgeving van Dordrecht. Hij heeft echter ook een aantal
reizen gemaakt naar Utrecht, Nijmegen en naar Duitsland. In Utrecht tekende Cuyp
stadsgezichten, boslandschappen en panorama’s.
Af en toe voert mijn werk me naar Rhenen (Utrecht). Het landschap daar ziet er
nu ongetwijfeld veel anders uit dan in de tijd van Cuyp, maar is nog steeds
indrukwekkend. Cuyp keek vanaf de Grebbenberg uit over het lage land van de
Betuwe en tekende vandaar zijn "Gezicht op Rhenen".

Gezicht op Rhenen vanaf de Grebbeberg
In dit (jeugd) werk is Cuyp zoekende naar zijn weergave van het landschap. Duidelijk is dat hij nog weinig raad weet met de weidse verte. Wellicht dat het landschap dat Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh 1882 - 1961) in 1915 in zijn Titaantjes beschrijft nog een beetje lijkt op wat Cuyp zag. In zijn observaties neemt Nescio nauwgezet al het veranderlijke waar: het voortschrijden van de seizoenen, de wolken, het water, het licht, en hij legt dat alles vast in intieme, tijdloze beelden, als een schilder.
Nescio – Titaanjes
"En mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in
mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest. (...)
En toen ik weer naar die twee gewichtige heeren keek vond ik dat al dien tijd
dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was, er eigenlijk er eigenlijk al
heel weinig in die wereld veranderd was. (...)
In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg en keek naar 't
Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den gezichtseinder, aan beide zijden
er van rees de berg steil op, begroeid met lichtgroen gras en donkergroene brem
vol gele bloemen. Ik keek er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden,
tot ze heel ver, overgingen in de vlakte. (...)
In Rhenen stond ik in de schemering op de brug (…)
Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt aan zijn gezicht op Rhenen, aan de
rivier, de berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de rode daken van
’t stadje, de kastanjes met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken
tusschen de huizen in de hoogte, en ’t molentje ergens op den berg. Jaren had
Bekker in ’t villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iedere zondag
Dante vertaald en gedichtjes geschreven (…)
Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, (…)
Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen, dat-i zijn
gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was’t. De rivier, den berg,
den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode daken van Rhenen, de
kastanjes met hun witte en roode bloemen, de bruine beuken en ’t molentje
ergens in de hoogte, 64 gelijke, rechthoekige brokken van 15 bij 12 1/2
centimeter hatti ervan gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was’t
geweest."
Het verhaal Titaantjes is ontstaan in 1911/ 12, de indrukken voor het
verhaal moet de schrijver echter al in 1904 hebben opgedaan, toen hij
veelvuldig, alleen of met één of meerdere van zijn vrienden, door Nederland
zwierf. Dat Nescio in 1904 daadwerkelijk in Rhenen geweest is toont Willem H.
Strous aan, aan de hand van twee ansichtkaarten. Een met het opschrift "bij
Rhenen"en een met "Op de Grebbenberg". (artikel "Nescio in
Rhenen")
Van het verhaal Titaantjes bestaat ook een vroege versie. Het valt op dat in de
vroege versie van het verhaal een veel levendiger en uitgebreider beschrijving
van een bezoek aan Rhenen wordt gegeven dan in de definitieve uitgave.
Hoofdstuk VII in deze versie begint met: "Het was in het jaar der jaren,
(...) Het jaar van de zorgeloosheid, de gezondheid, de welbehagelijkheid, het
jaar dat we van alle menschen hielden, (...)" De ik-figuur (Koekebakker)
had samen met zijn vriend Bekker uitgerekend hoe zij het dat jaar zouden kunnen
uitzingen met hun geld. En op één van hun tochten kwamen ze op een hete dag in
mei, op een zondag, in Rhenen. Met de sneltrein waren ze tot aan Kesteren
gereden waarvandaan ze een half uur moesten teruglopen naar Rhenen. Daarover
volgt dan een prachtige beschrijving: "Ik vond 't heel mooi. Ik had
zooveel van 't vlakke land en de neveligheid genoten dat de romtiekerigheid van
't landschapje en de felle belichting mij kinderlijk verheugden. De kalven in de
wei, het ritselen van de populieren die hier en daar in kleine groepjes in de
velden stonden, de massieve berg voor ons, in 't oosten dichtbegroeid en
eindigend in een steile kaap, de berg die de wereld begrensde, het stadje met
zijn roode daken etagegewijs tegen den heuvel (...)" In de definitieve
uitgave wordt verteld hoe Bavink, een andere vriend, met tussenpozen jaren had
gewerkt aan zijn gezicht op Rhenen, verderop beschrijft Nescio hoe Bavink dat
schilderij later weer vernietigd. (zie citaten hiervoor) Door de manier waarop
Nescio dit onder woorden brengt, kom je in de verleiding dit teken van Bavink's
naderende psychologische ondergang letterlijk te nemen, en te vergeten dat het
slechts een verhaal is en er nooit een schilderij zal zijn geweest. In de vroege
versie is daar niets van terug te vinden. Daarin wordt de overtocht met de
gierpont beschreven: " 't was om te streven van de hitte"
Eb als de twee vrienden, na hun twaalfuurtje in Rhenen te hebben gebruikt
tijdens een hevige regenbui, de dag doorbrengen in de uiterwaarden bij de
spoorbrug, zie je al lezend, in gedachten óók de rivier aan de linkerhand, de
Cuneratoren voor je en de Grebbenberg rechts achter. En in de schemering staan
de twee vrienden dan, aan het eind van die dag, samen op het viaduct die de twee
stukken van de berg, die in tweeën gegraven was om de spoorlijn er door te
brengen, verbindt. En ze keken naar het noorden waar de duisternis de overhand
kreeg over het licht. En wellicht werden ze op dat moment wel gehuld in de rook
en stoom van een onder hen langs passerende locomotief en roken ze die geur die
je nooit vergeet. Hoofdstuk VII eindigt ermee dat Koekebakker er vrede mee had
en in zijn hotelletje (welke?) een gat in de volgende morgen sliep. De spoorbrug
waar onze vrienden opstonden is in de meidagen van 1940 opgeblazen. Sinds de
reactivering van de spoorlijn in 1981 heeft de trein zijn eindpunt in Rhenen en
gaat niet meer zoals in Nescio's dagen "stoompuffend"door naar
Kesteren.
In zijn Natuurdagboek, dat een periode van tien jaar (1946 - 1955) bestrijkt,
doet Nescio nog eenmaal verslag van een bezoek aan Rhenen, en wel op 25 juni
1952:
" Gezicht op Rhenen met de bocht van den Rijn en de hooge boomen
voor Rhenen en op de Cunera, die zonder top de Cunera niet is. Door de herbouwde
en iets verbreede hoofdstraat van Rhenen, niet te beroerd, en gebak gekocht.
Over den Grebbenberg, heel even links een kijkje in de diepte en verte. Over het
algemeen deze ochtend gebrek aan vergezichten. Den berg op, plechtig maar
besloten. Het oue hotel de Grebbe wèg. Rechts in een tuin voor een nieuw ding
kopje koffie met vier donkerbruine kippen met lelletjes, die opfladderden en de
koekjes van de schoteltjes pikten en bij ons op schoot zaten. Binnen in het
hotel zijn in een gangetje en op de wc marmeren platen in het hotel
verwerkt."
Zou Nescio het "oue hotel de Grebbe" in gedachten gehad hebben
toen hij Koekebakker een "gat in de volgende morgen" liet slapen?
In haar gedicht "Ook wij Titaantjes" geeft de dichteres Hagar Peters haar kijk op de Titaantjes van Nescio. U kunt het gedicht hier, voorgelezen door de dichteres zelf, beluisteren. Titaantje is een verhaal dat blijkbaar blijft inspireren ook gezien de mooie tekeningen die Joost Swarte een aantal jaren geleden bij dit verhaal maakte.
|
|
|
Tegenwoordig ligt aan de voet van de Grebbenberg het natuurgebied De Blauwe Kamer.
![]() |
![]() |
|
De Blauwe kamer Kaart |
De Grebbeberg gezien vanuit de Blauwe Kamer |
Een stukje rivieroever dat een aantal jaren geleden is teruggegeven aan de wisselvallige stemmingen van de Rijn. Dit alles in de veronderstelling dat de specifieke natuur van het land dat ’s winters onder water staat zich daar zou herstellen. Een visie op natuur en landschap minstens zo dromerig is als Cuyps geïdealiseerde kijk op het landschap.
Contre-Jour.
Geleidelijk aan ontdekt Cuyp in zijn schilderijen de kracht van het tegenlicht (contre-jour,
tegen de dag, verkeerd licht)
Het effect van Cuyps gouden licht, het zonlicht dat van geel tot roze het
schilderij binnen stroomt en de lange schaduwen heet het licht van de late
middag te suggereren. Ook de wolken worden vaak dramatisch geel en roze
gekleurd. Het landschap was niet langer overgoten met een gelijkmatig licht.
Vaak kleuren blauw, geel, roze en wit de wolkenlucht, een palet dat in het
landschap wordt afgewisseld met fraaie bruine en grijs-groene tinten.
Kan het zijn dat in Cuyps beste schilderijen licht en kleur zelf het onderwerp
zijn? Of komt dat omdat ik via het werk van William Turner en Willem de Kooning
terug kijk naar het werk van Cuyp?
Ik ontkom er niet aan nog even terug te grijpen naar het schilderij "Rosy
fingered dawn at Louis Point" van De
Kooning. In dat
schilderij gebruikt hij dezelfde kleuren die het licht op de schilderijen van
Cuyp zo bijzonder maakt. Kende De Kooning als in Rotterdam geboren en opgeleid
kunstenaar het werk van Cuyp? Is het wel avond op de schilderijen van Cuyp? Het
licht dat bij Cuyp uitgelegd wordt als het licht van de late middag, heet bij De
Kooning het licht van de dageraad. Kende Cuyp eigenlijk het werk van De Kooning?
M.a.w. kende Cuyp de "roze vingerige dageraad" van Homerus, wellicht
via Vondel?
Vast allemaal heel onwaarschijnlijk, toch zijn het verbindingen die zich bij mij
langzaam vormen. Moeten al deze verbindingen tastbaar zijn, graag natuurlijk, of
kunnen ze ook op een gevoeliger, intuïtiever of transcendent niveau tot stand
komen? Waarbij Cuyp het werk van Turner en zelfs De Kooning wel heeft gezien,
maar nog niet heeft kunnen maken. Voorlopig speel ik er nog even mee.
Naar aanleiding van het overlijden van Karel Appel op 4 mei 2006 hoor ik Rudie
Fucks dingen zeggen als: "(…) schilderen is een zeer basale bezigheid,
een spel met de materie. Een kunstenaar is niet opzoek, zoals een wetenschapper,
echter in het spel met de materie vind hij soms iets."
Dat vinden zien we terug in het beste werk van Cuyp. Op basis van zijn
observaties van de werkelijkheid (zijn tekeningen) gaat hij in zijn atelier met
de verf aan de slag. In zijn werk doet hij ons verslag van zijn zoektocht. En in
zijn beste werk laat hij ons zien wat hij onderweg vond. Het gouden tegenlicht
en de rust en sereniteit die dit uitstraalt. Gevoelens die ons weer verzoenen
met het leven.
Cuyp en Proust.
Marcel Proust (1871 – 1922) heeft in 1896 een lofdicht gemaakt op het werk van
Cuyp. Proust heeft de waardigheid en de rust die zo kenmerkend is voor Cuyps
schilderijen prachtig getroffen. Overigens componeerde Prousts vriend Reynaldo
Hahn naar aanleiding van dit gedicht een etude voor piano, waarbij de aanwijzing
"tres calmé" wel haast vanzelfsprekend is.
Het betreffende gedicht van Proust treft u aan in het Reprocitaat onder Proust-Cuyp. In het Reprocitaat vindt u tevens nog een aantal andere gedichten van Marcel Proust.
In de gedichten reeks "Gezicht op Rhenen" van Hans Favery verwijst de dichter in het laatste gedicht van deze reeks naar "das Jenseits - gezicht op Rhenen,". Deze verwijzing heeft betrekking op een ets van Hercules Segers vroeger meende men hierin de stad Rhenen te herkennen, maar de identificatie met Amersfoort heeft de voorkeur, vandaar dat de ets nu als "Gezicht op Amersfoort"door het leven gaat. (afbeelding nog opnemen)
Open, onherkenbaar.
Hans Favery
Open, onherkenbaar.
De zich folterende
wordt niet langer gefolterd.
Het is tijd: met een ruk
gaat het gordijn open:
das Jenseits - gezicht op Rhenen,
de andere oever. De zich niet meer
herkennende dolk; de tussen klaprozen
in elkaar geschoven zwanenhals. Later
echter, in mijn tijd, zo een grote
zwarte kraai, van het vasteland gekomen,
aanvliegend boven dezelfde zee
die nog zo naruist in de schelp,
hier, op mijn handpalm.
Link naar de volledige tekst van de gedichtencyclus "Gezicht
op Rhenen".
Bladerend in een bloemlezing met gedichten van Constantijn Huygens (1596 - 1687)
(Voet - maet, rijm en reden, samengesteld door F.L. Zwaan, Den Haag 1979) kwam
ik een gedicht tegen over de stad Dordrecht. En deze keer dus wel degelijk het
Dordrecht uit de tijd van Cuyp. In 1624 schrijft Huygens 24 stedestemmen en
dorpen. Alle daarin voor komende steden en dorpen voert hij op als sprekende
personages. Huygens bracht daarmee een nieuw genre van Nederlandse gedichten en
bewees nog eens zijn oorspronkelijkheid met deze merkwaardige, vaak zeer
moeilijk te volgen, bijna cryptische poëzie. (Toelichting op de gedichtencyclus
"Stede-stemmen en dorpen" en de volledige tekst)
DORDRECHT
Constantijn Huygens
In mijns gelijcken Schaer besitt ick ’t eerste woord;
All waer ’t mijn’ waerde niet, dat geeft mij mijn’ geboort,
En ’t planten vande kroon op onser Vooghden hoeden.
Doe sat ick inde kleij, die ook mijn’ buren voedden:
(5) Sints heeft mij eene nacht Venetien gemaeckt,
En all’ mijn’ Wandeling in Handelingh gestaeckt.
Maer off de Spaensche keel na mijne Stapel-mosten,
Na mijn’ Munt dorsten dorst, het soud’ haer ’tswemmen kosten;
Dat’s menigh’ natten voet, en water in haer’ Wijn:
(10) Is ’t niet de Land-scha waerd soo veil begracht te zijn?
Bladerend in de poëzie van Huygens kan ik het niet laten om nog een paar juweeltjes door te geven. Meer gedichten van Constantijn Huygens.
Willem Roelofs (1822 - 1897)
Onlangs zag ik in de Kunsthal in Rotterdam een expositie met werk van de Haagse
Schoolschilder Willem Roelofs, volgens mij een jongere broer van Aelbert Cuyp.
Zoals veel kunstenaars uit de 19de eeuw was Roelofs vreselijk geïnspireerd door
zijn vakbroeders uit de gouden eeuw. Niet vanuit romantische of nostalgische
overwegingen, maar vanuit een streven naar een zo onbewerkt mogelijke weergave
van het echte leven, woeste bomen, ruige wolken en natuurlijk de "gewone
man".
Willem Roelofs breekt als een van de eerste kunstenaars in de negentiende eeuw
met de romantische traditie. Niet langer schilderde hij geïdealiseerde
landschappen, maar meer en meer impressies van de waargenomen natuur. Roelofs
schildert polders 'naar de natuur' maar ook verstilde taferelen van een
onbedorven natuur die wij nauwelijks nog kennen. De adem der natuur inspireerde
Roelofs met recht. Even als Cuyp maakte Roelofs honderden schetsen in potlood,
inkt en olieverf. Die hij uitwerkte in zijn atelier. Vreemd genoeg maakte hij
zijn aquarellen weer naar aanleiding van de uitgewerkte olieverf schilderijen.
Blijkbaar vertrouwde hij zich te weinig met deze techniek. Zijn olieverf
schetsen herkennen onze ogen nog nauwelijks als zodanig. Voor ons zien ze eruit
als uitgewerkte schilderijen. Zijn in het atelier uitgewerkte schilderijen zien
er door onze ogen nu juist te romantisch uit, een traditie waar Roelofs mee
wilde breken.
Hoewel Roelofs wilde breken met de romantische traditie, schilderde hij nooit
een officieel schilderij in de vrije natuur. In die zin bleef hij de natuur
altijd perfectioneren. Pas aan het eind van zijn leven toen de impressionisten
populair werden durfde hij met zijn schetsen naar buiten te komen.
Wat op de tentoonstelling trouwens ook opvalt is de enorme productie en werklust van een schilder als Roelofs. Zijn werkdag begint vaak om
5.00 uur en eindigt twaalf uur later om 17.00 uur. Tot ver in zijn zestigste
werkt hij onder alle omstandigheden ook buiten. Wie zei er ook weer dat
creativiteit bij uitstek hard werken is? Aan zijn werk is dat ook te
zien, dat is regelmatig en evenwichtig, een oeuvre zonder grote pieken of dalen.
Chris29.05.07
Bronnen:
| home | tekenlog | schilderijen | ruimtelijk werk | grafiek | reprocitaat | kunst kolom | video/ audio | fotografie | tekeningen |
| contact |