De ooggetuige
Werner Aspenström
Monet
gaat uit schilderen.
‘Het is een grote vreugde en een groot verdriet.’
Monet wil schilderen wat hij ziet.
Het moet mogelijk zijn de Seine te
zien.
Alles wat we fixeren is toch al voorbij.
Niemand kan twee keer
in dezelfde lichtstroom stappen.
Monet zoekt ruzie met het glinsterende,
stromende,
het vergankelijk zachte, de duivennek.
Een scherp mes kan
hij niet schilderen,
een bruine liniaal, een zwarte gietijzeren horizon.
Hij is gek op sneeuwvlekken.
Ze smelten al wanneer je ernaar kijkt.
Het zwartwitte vee in het weiland, strikt genomen:
grazende regenbogen.
Het landschap wisselt voortdurend.
‘Ik verbruik en verpruts veel verf’
Een korenveld kan blauw zijn.
Het is altijd oogsttijd voor wie licht
verbouwt.
Papavers. Monet vraagt de kinderen nieuwe doeken te halen.
Als pompiers komen ze aangesneld.
Nationale feestdag, vanaf het balkon:
een geweldige waterval van vaandels, mensenspatten.
In Le Havre is de zon
toevallig rood.
Monet snelt drie zeer vluchtige boten ter hulp.
Rond
Belle-Ile slaan de brandingsgolven hoog op.
Monet bindt zich vast aan de
klip, stut de ezel met stenen.
‘Hij bevindt zich nu dichtbij, tegelijk
erbuiten.’
De droom: dichterbij. Begraven worden in een belboei.
Er
bestaat geen bestendige God. Het altaar donker.
Lichtgolven overspoelen de
kathedraal.
De waarheid trilt. Bakstenen tikken als klokken.
‘Een
eeuwige marteling, niets anders.’
De avond wordt grijs. De kathedraal
krimpt als een slak.
Monet ligt wakker. Waar is de zon ’s nachts?
Dit
is een leven lang een bijenzwerm najagen!
In populieren. In vissersboten. In
hooimijten. In parasollen.
In de kanalen van Venetië. In Hollandse
molens.
In het Londense Parlementsgebouw.
In Parijse cafés worden de
nieuwe theorieën geconsumeerd
door prismatische lichamen, kleurenspelende
gezichten.
Men gaat beweren dat Monets doeken volmaakt zijn.
Monet
weet zijn leven mislukt.
Het is niet mogelijk te schilderen wat je ziet,
te schrijven wat je voelt, te eten waar je naar hongert.
De vrienden
verspreiden zich. Monets tweede vrouw sterft.
‘Ik trek de muren hoger op rond
mijn bezittingen.’
Rest al het licht van de wereld in de
waterlelievijver.
Dan weigert het oog te zien. Handen worden onhandig.
De schilder Claude Monet zal gauw blind zijn.
Hij verbrandt zijn laatste
waterbeelden.
En het water brandt. Tegen de wetten van de natuur,
als
een teken van eerbied.
(vertaling:
Ivo van Strijtem)
zie ook: Claes - Monet, Mooij - Monet
en de kunst kolom over Claude Monet
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| home | tekenlog | schilderijen | ruimtelijk werk | grafiek | reprocitaat | kunst kolom | video/ audio | fotografie | tekeningen |
| contact |