
Rembrandt van Rijn 'Zelfportret' 1669
AAN
REMBRANDT VAN RIJN
op zijn
derden eeuwdag
P.C. Boutens
Zang
I
Ver uit de overluchtsche wijken
Achter gouden avondstond,
Uit de sterrelichte rijken
Waar Gij rust in schoonheid vondt,
Wil ons armen nog genaken:
Met de hoogheid van Uw geest
Heilig onze duistre wake
Tot Uw licht geboortefeest ...
Tegenzang
I
Van de hooge stille dooden
Ruischt geen antwoord door den nacht;
Die verwijlen met de goden,
Dalen niet tot aardsche wacht:
Andere geheime wegen
Weet verheerelijkte voet
Naar hu~ Oude Land gelegen
Diep in hellen acthervloed.
Nazang
I
Want die wordt eeuwigweêr op aard
herboren,
Wiens kunstverbeelde
loutere gedachten
Tot immer
licht bewonderen ontgloren
't
Vernieuwd gelaat der jeugdige geslachten.
Trekkende vooglen dragen uit het Zuiden
Den nieuwen lofzang van hun ouden naam;
Als de aard zich alweêr dekt met bloem en kruiden,
Zoo breken uit de lenten van hun faam.
Zang II
Uw geding is afgesloten
Over alle twist en kamp;
Voor Uw klaren blik vervloten
Haat en hoon als ijle damp.
Andren mag ons oordeel wijzen
Strenge maat van dank en blaam,
Boven laken, boven prijzen
Rijst het wonder van Uw naam.
Tegenzang
II
Want de zon die veld en wolken
Met haar glanzen voet betreedt,
Die de wisselende volken
In haar eeuwgen luister kleedt,
Straalt de werken Uwer handen
Met de bloemen Gods gemeen,
Schijnt de kleurbedekte wanden
Met het rijke leven éen.
Nazang
II
Niet tot een enkel volk hebt Gij gesproken,
Uw klaarverstaanbaar woord vertroost hen allen;
Het brood der schoonheid heeft Uw hand gebroken
Voor laten honger van de duizendtallen.
Uw schatten kunnen maar door deelen loonen,
Uw erven leven aan het vreemdste strand:
De grooten die niet binnen grenzen wonen,
Hebben de wereld tot hun vaderland.
Zang
III
Toch, als moeder van haar kindren
Meest bemint den stoeren zoon
Wien haar liefde niet kon hindren
't
Jong vertrek uit de ouderwoon,
Die door eigen drang gedreven
Om de breede wereld toog,
Tot die wereld hem moest geven
Allen lust van hart en oog,-
Tegenzang
III
Als die moeder bij zijn keeren
Niet den man gebronsd, vervreemd,
Niet zijn rijkvervuld begeeren,
Maar haar blonde kind herneemt,
Zoo van alle land en steden
Eischt U
't
land en de oude stad
Waar Gij
't
leven hebt geleden,
Waar GÜ meest hebt liefgehad.
Nazang
III
Hier heeft Uw aardsche jeugd in minnende oogen
De heerlijkheid vermoed van haar verlangen,
Uw geest, uit vizioenen neêrgetogen,
Met zijn ontroerde deerenis omhangen
De donkre zielen die om U bewogen,
Tot, van Uw liefdes heilgen wil doorbeefd,
Zij traden uit haar schaduw tot den hoogen
Morgen van schoonheid in wier dag Gij leeft.
Zang IV
Schoonheid die de zuivre sterken
Tot haar dienst beroept en werft,
Dat hun vrome handen werken
Heerlijkheid die nimmer sterft,
Schoonheid in haar rijk beloven
Houdt alleen dat hart haar woord,
Wien de jaren nimmer do oven
Heilge liefde tot zijn soort.
Tegenzang IV
Liefde, oneindig, onvermoede,
Die uit gouden eenzaamheid
Warm en levend wil verbloeden
Tot het schoon dat geen benijdt,-
Tot van durende verblijding
Nachten wit van sterren staan,
In wier reinigende wijding
Al de volken binnengaan.
Nazang IV
Uw leven is niet in de duistre bladen
Van' t oude boek dat somt Uw sombre dagen,
Uw leven zijn de stralende genaden
Die door den nacht haar blanken melkweg vagen:
Aan uiterste' einder zien ons scheemrende oogen
Uw helle zon die nimmer ondergaat,
Boven de liefde van ons reikend pogen
Strekt zich de zilveren geklonken straat.

Rembrandt van Rijn 'Zelfportret als de apostel Paulus'
Rembrandt van Rijn
Leiden
1606 - 1669 Amsterdam
zie ook KunstKolom over Rembrandt van Rijn

Rembrandt van Rijn 'Zelfportret op jeugdige leeftijd'
| home | tekenlog | schilderijen | ruimtelijk werk | grafiek | reprocitaat | kunst kolom | video/ audio | fotografie | tekeningen |
| contact |