De Blauwzieke
badkamer
Bernard Dewulf
Il faut que la peinture serve à
autre chose
qu’ à la peinture
(Henri Matisse)
Moi Bonnard
(Grand nu bleu,1924)
Dit is
mijn vrouw. Zij is mijn duizend-en-één.
Bredere mannen hebben in duizenden
hetzelfde,
in haar alleen heb ik de duizend andere gezien.
Zij was het
dichtste, het verste onder de dingen.
Ik heb niets anders misdaan dan haar
benaderd.
Verder dan de verf ben ik niet geraakt. De verf
is haar vlees
geworden. Haar vlees was moeilijk
zoals alle gras. Ik wilde dat het
zienderogen zong.
Ieder treurlied dat het aanhief kreeg mijn kleur.
In
mijn duizend kleuren heb ik hetzelfde gezocht.
Altijd dichtbij te kijken, zo
bijziend als ik kon
de einder van haar huid volledig te bestrijken.

(Grand nu, 1924)
Aan de rand van de blik zijn de dingen krom.
Waar het gezichtsveld eindigt buigt een vrouw.
En wat vaststaat beweegt. En
wat beweegt
ligt vast in gebaren. En alles wat tussenligt
is een afgrond.
Naast de tafel keert de wereld
naar beneden, een dieplood in de schaduw.
Komt een vrouw uit haar bad, dan ook verandert
het heelal. En alles ligt
lichtjaren uit elkaar
in het atoom van de badkamer. Neemt daar
een vrouw
de handdoek op, vreselijk vlakbij,
dan schilder ik de lengte van dagen tussen
haar en mij. De hemelsbreedte van het wij.

(Grand nu à la baignoire, 1924)
Al bij het eerste dauwnat zat het
onder de verf.
Een vrolijke jicht kroop in mijn vingers.
Later liep het
als een leidraad uiteen in mijn hoofd.
Altijd leek het alleen te schijnen
voor mij.
Dagelijks kwam mijn vrouw als een gedachte voorbij.
Ons gesprek
liep aandachtig door haar heen.
Ik heb het trouwer en persoonlijker gekend
dan haar.
Zoals ik het heb ontvouwd, heb ik haar nooit.
Ik heb het
geloofd, al zag ik hoe het haar altijd zocht.
Ik heb het thuisgebracht en
haar aangedaan.
Het heeft haar liefgehad en niet aan het licht gebracht.

(Grand nu jaune, 1931)
Ik heb haar uitgekleed en tegen het licht
gehouden.
het heeft haar opgeschuurd tot al de knopen
van haar lichaam
blonken. Sommige dagen scheen
het dwars doorheen. Zij heeft zich verzet als
een vis
in een net. Ik heb haar verdediging opgetekend.
Nooit heb ik iets
mooiers gezien dan haar in strijd
met het licht. Soms keek het verlegen weg.
dan heb ik het teruggehaald en haar aangedaan.
Dagenlang liep zij in niets
anders gekleed.
Nooit was er iets mooiers te zien. De uren dat zij
niet
verging, klaarlicht veinzend onsterfelijk ding.

(Amandier en fleur, 1946)
Na iedere oorlog heeft de eerste lente
haast.
In de bleekgroene ochtend van een vredestijd
bloeit de amandelboom
een droom te vroeg.
Ik heb hem afgeschilderd als een daad van feest
en
nooit zal hij van alle kaarsen de laatste zijn.
Ik ben nu oud op tijd, ik
leef al in dood land.
Maar zie hem, branden in een lente ver van hier,
ontploffen in de stomme ogen van de toekomst.
Ik zie een doffe dag een
doodstille explosie,
mijn amandelboom een splinterbom op papier
in de
barbaarse bloeitijd van een of ander 2004.

Moi Bonnard
(Grand nu bleu, 1924)
This is my wife. She is my thousand-and-one.
Broader men have similar by the
thousands,
in her alone I’ve seen the thousand others.
She was the
closest, the furthest among the things.
I did nothing wrong besides approach
her.
The paint was as close as I got. The paint
became her flesh. Her
flesh was difficult
as is all grass. I wanted it to visibly sing.
Every
lament it broke into changed to my colour.
In my thousand colours I looked
for the same.
To always look more closely, as myopically as I could
to
completely cover the horizon of her skin.
© Translation: 2010, Willem Groenewegen
zie ook gedicht Carver Bonnard
en de KunstKolom over
Pierre Bonnard
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
|
![]() |
|
|
|
| home | tekenlog | schilderijen | ruimtelijk werk | grafiek | reprocitaat | kunst kolom | video/ audio | fotografie | tekeningen |
| contact |