Fancis Bacon 'Zelfportret'
Francis Bacon
(1909 – 1992)
Leonard Nolens
Aan het gekregene dat ik ben heb ik geen
deel
Als jij niet komt om mij
hardhandig te ontbloten,
Mijn
naaktfiguur die snikt onder een nachtelijkheid
Verstopt van dekkende verf. Hoe kan ik ooit nog stoten
Door die stomme korst?Hoe kan ik morgen
breken
Uit mijn lijst van jou? Jij
hebt mij opgesloten
In een
vrijheid die ons niet krijgt uitgesproken.
Mijn mond is overschilderd, naar de hemelstreken
Verbannen, knarsetandend, van een
anoniem penseel
Dat jij toch zelf
hanteert. Daar vliegt de vlinderende
Bloedklop van mijn naam zich dood binnen je doos
Van wolken, gras en vlees over mij uitgesmeerd.
Francis Bacon 2
Leonard Nolens
Ik zag hoe een man zijn lippen uit liet waaieren over zijn
hele gezicht.
En daar ik de kunst
versta om blind iemand recht in zijn ogen te kijken
Hoorde ik ginder zijn mond naar zijn voorhoofd schieten om
hersens te halen en indruk te maken op zichzelf.
Ik rook hoe zijn linkermond zijn
rechteroor befloot en hartstochtelijk zoende.
Ik schrok toen hij later zijn neusvleugels klapwiekend
uitsloeg over zijn onderkin.
Ik
proefde dat zijn knevel opgepeuzeld werd door al zijn linkerogen.
Ik huiverde toen hij met machtige rukken
zijn nekvel over zijn schedel trok.
Ik merkte hoe zijn rechterwang zijn linkerwang betastte, ik
beluisterde die raspige muziek.
En
ik hoorde hoe hij klagende van hier tot ginder zijn strot liet gorgelen in zijn
achterhoofd.
Ik
zag het, ik zie het, ik zie hem nu helemaal voor me.
Ik kende die man, ik herkende hem plots.
Die man is de enige zoon van mijn moeder.
Francis Bacon 3
Leonard Nolens
Je hebt me dus toch in de vingers.
Mijn koppijn is eerder geschild
Dan geschilderd, mijn borst is een barst
In de koek van je doek, mijn geslacht is
Een vluchtige vlek in de leegte
Gespoten, mijn ziel is hier dik
In de verf gezet, mijn gezucht is
In wondzalf gezegd, ik ben reuzen
Van rood, een pigmee van pigment.
Je hebt je dus toch in de vingers.
Ik stond met mijn vrouw in Den Haag
Weerspiegeld te zien naar dat glas
Waarachter je rustig tekeerging.
Geen duimbreed weken wij af
Van je naadloze baaierd sindsdien.
Je hebt ons dus toch in de vingers.
Ons bloed is terdege klassiek
Geworden, je kletst onze hersens
Aan stukken, klasseert onze klachten
In spottende spatten, poneert
En doseert onze passie, poseert
Met al onze maskers van jou.
Mijn vrouw wendt zich af van je ballen
En slikt zich naar buiten de stad in.