Wij zijn
tegen elkaar niet opgewassen. Jij bent altijd groot. En ik ben grut
Gebleven, neergeknield in die klamme spang Van je liezen, gekneld in die
aanvang.
Misschien heb ik daar wel verkeerd bestaan En mij verdaan in
apenjaren, oud Geworden zonder weg te kunnen gaan Bij jou, zonder die bres
te kunnen slaan,
Alleen voortaan, naar een moederloos land. Wij zijn
tegen elkaar niet opgewassen. Jij bent altijd groot en ik ben grut. Het
spuwt en kirt en spartelt in je kut.