
Willy Meysmans 'Fiere Margriet'
Fiere Margriet
Renée van Riessen
Jouw
lichaam gestrekt. Geketend, maar zwevend
boven de vijver waar moeders
verstrooid
een luier loslaten die wolkt in het water
hier drijft op wolken
jouw hoofd.
Jouw lichaam, gestrekt. Zo werd het gevonden
aangespoeld
in een hoek van de tijd
doorzichtig en glanzend, je jurk was vergaan
en je
keel onwerkelijk rood.
Wie lieten jou zinken in de rivier?
Stof moest
je worden, eerst je gezicht
dan je vingers, ten slotte je haar
naar de
bodem, dwarrelend aas
totdat je terugkwam, stroomopwaarts getrokken:
een reis naar de stad op de rug van een vis.
Je zwaaide, zegt men – er vielen
veel sterren
je handen leken verlicht.
Fierre Margriet (of Margareta van Leuven) is een volksheilige – officieel nooit
heiligverklaard - , afkomstig uit de stad Leuven, waar ze de beschermvrouwe is
van de martelaren, horecapersoneel en patrones van de dienstmeisjes. Het beeld
waarover het gedicht spreekt, is gemaakt door Willy Meysmans en staat op de
Muntstraat, hoek Tiensestraat in Leuven.
Het verhaal van Fierre Margriet
begint met Amandus, een Leuvens burger. Hij beslist, samen met zijn vrouw, hun
bezittingen te verkopen en in de abdij van Villers in te treden. In hun huis, de
St.-Jorisherberg in de Muntstraat, werkt Margareta, een familielid. Het meisje
werkte zeer hard en was bekend om haar voortreffelijk gedrag, vandaar misschien
haar bijnaam Fier – trotse - Margrietje. Al betekent 'fier' ook 'ongenaakbaar'
.Op de vooravond van hun intrede kreeg de herberg pelgrims over de vloer die
eten en overnachting vragen. Vermits op dat ogenblik geen drank in huis was,
stuurt de waard Margareta uit om wijn te halen.De pelgrims blijken echter een
vermomde roversbende te zijn. Margriet is nog maar net de deur uit wanneer de
bende Amandus berooft en hem samen met zijn vrouw en de hele familie vermoordt.
Wanneer Margriet terugkeert, nemen de moordenaars haar mee buiten de stad waar
zij haar (wellicht na een poging tot groepsverkrachting) doden en in de Dijle
werpen.Haar lichaam zinkt echter niet. Vissen dragen het lichaam zodat het boven
water blijft. Tegen de stroom in en omgeven door een wonderbaarlijk licht drijft
het lichaam terug richting Leuven. Hendrik, de toenmalige Hertog van Brabant, is
getuige van dit wonder. Dankzij de vondst van het lichaam komt de waarheid aan
het licht. Voor ze verder kwaad kunnen aanrichten worden de rovers opgespoord en
in de gevangenis geworpen.
Naar aanleiding van de legende is er een hele
Margaretha-cultus ontstaan. Pelgrims treffen elkaar in een transkapel van de
Sint-Pieterskerk ingebouwde Margaretha-kapel. Deze kapel is eveneens van
buitenaf te bewonderen.

De buitengevel van de fiere-margriet kapel in de
Sint-Pieterskerk
Ook een lied van het in 1544 door Jan Roulans uitgegeven Antwerps liedboek is
aan haar gewijd.
Op de hoek van de Muntstraat en de Tiensestraat staat het door Willy Meysmans
gemaakte beeldhouwwerk dat verwijst naar deze legende.
Dichteres Renée van Riessen (Lunteren, 1954) studeerde filosofie en Nederlandse
taal- en letterkunde in Amsterdam. Tegenwoordig doceert zij filosofie aan de
Theologische Univeriteit in Kampen. Haar doctoraalscriptie ging over de
filosofie van Emmanuel Levinas. Dichten is voor haar 'ontsnappen aan de
gestrengheid van de filosofie'.Een van de thema's die centraal staan in de drie
bundels die Renée van Riessen tot op heden publiceerde is het 'tussenstadium'.
Beelden als kruispunten en bruggen, gevleugelde schepsels, madonna's en andere
beelden waarin de wereld even stil lijkt te staan, komen veel voor in haar werk,
evenals het thema verlies. Haar kinderen ziet zij als nog met één been staande
in het paradijs, op het punt om de wereld van de eindigheid te betreden.
Volwassenheid brengt verlies met zich mee, maar biedt ook de mogelijkheid om dit
verlies weer te overstijgen. Ofschoon Van Riessens poëzie iets onwereldlijks in
zich heeft, is er tegelijkertijd ook een andere kant die voorkomt dat haar werk
gekunsteld of zweverig wordt. Van Riessen geeft blijk van een oprechte verbazing
over het leven en zij staat met beide benen op de grond, wat haar interesse voor
het onthechte bestaan van heiligen en vogels meer dan vergeeft. 'Van alles wat
in verband staat met het lichaam heeft een vleugel eigenlijk nog het grootste
aandeel in het goddelijke,' luidt het citaat van Plato dat ze voorin haar
laatste bundel Gevleugeld/ontvleugeld heeft opgenomen. Van Riessen: 'Het
ontvleugelde in de dichtbundel, het terugkeren op aarde, is een heilzame
ontnuchtering.'
Kiekendief
Renée van
Riessen
Vreemd dat hij nu niet valt
zo vlak boven de
grond,
dat hij zijn eigen vlucht vertrouwt
terwijl zijn vleugels
nauwelijks bewegen.
Zijn romp, daartussen, is al even
roerloos: een
massieve kluit,
maar in zijn kop schuilt aandacht
voor de aarde. Daar is
buit.
Vreemd dat hij nu niet duikt,
hij heeft geduld.
Hij zweeft
zich los van onze grote vragen:
Zal ik vandaag nog vangen? Hoe lang mag
het pauze zijn tussen twee vleugelslagen?
Vliegen is vrij en duiken kent
geen schuld
hij valt eenvoudig op de kiekens aan
wanneer zijn tijd gekomen
is en daarna
zweeft hij weer. Met engelengeduld.
De vrouw en de trommel
Renée van
Riessen
Er is in haar een vrouw die valt,
één die om
donkere wakken schaatst,
één die de kracht van water zoekt,
één die de
lucht niet kan weerstaan:
er is in haar een vrouw die valt.
Er is in
haar een vrouw die valt,
die niet met anderen eten kan,
één die haar hart
niet bergen kan,
haar eigen dromen niet verstaat.
Er is in haar een
vrouw die valt
en brekend door de grendels gaat
die om ons hart gesloten
zijn -
Er is in haar een vrouw die valt
en op een grote trommel slaat.
Ze voelt het donker op haar huid,
ze weet de angst daar ingegrift,
ze
drijft die luid en dreigend uit.
Doortocht
Renée van
Riessen
Langs zuring, wolfsmelk en bitterkruid
ga ik,
gespijzigd door namen.
Aan de rand van de sloot beweegt speenkruid
en
stinkende gouwe. Daaronder, nauwelijks
zichtbaar de zompige grond, als roest
achter spiegelglas. Laat rusten,
roer niet, jaag niet op. Geef alles
een
eigen naam. Noem het niet
`Rode Zee'. Maar maak je gereed
en eet haastig:
de doortocht vangt aan.
Natura Magistra
Renée van
Riessen
Herfst was de rijkste tijd toen,
van
vliegenzwammen en elfenbankjes
wemelde het in het donker.
De kinderen
werden naar buiten gestuurd,
schoolklassen tegelijk, om natuur
te herhalen
als herfstdoos.
Boleten scheefzakkend geschikt op dof-
rood eikenblad
- zo gangen vol.
Het rook naar schimmel en karton.
Het
eekhoorntjesbrood, bijzonder groot,
vult in zijn eentje een hele doos
en
krijgt de eerste prijs.
Zelfs na die rooftocht bleef er over,
wij
werden wonderlijk gespijzigd
en kenden onze rijkdom niet. Wat rest
voor onze kinderen is het weten van verdwijnen.
Tranen om ver gebrek: een
zeeschildpad
die op het Griekse strand geen ei meer legt.
Het huis
Renée van
Riessen
Niet lang duurde het breken van ons huis.
De
serre bleef nog even zweven
en gaf een doorkijk op het leven:
met elke
kamer opende een kluis.
De schoorsteenmantel ligt vreemd andersom,
en
zichtbaar werd de binnenkant van muren.
Verborgenheid kan nu niet langer
duren.
Tot heel de buurt zeggen de resten: `kom'.
(Twintig jaar Times
viel met doffe klap
neer in het puin. Alsof bewezen
moest dat hier
iedereen kon lezen.
Er zitten slakken aan de wenteltrap.)
Het stof
trekt langzaam van de bouwval op.
Nu weten we: wij waren koningskinderen,
voordat de kou valt moeten wij een woning vinden.
Buurmeisjes spelen in de
kelder met mijn pop.
Psyche
(voor Marina Tsvetajeva)
Renée van Riessen
Je dwaalde rond door Praag,
je schuilde net als ik
in
het kerkje bij de heuvels:
`het overwonnen huis'- geen was,
geen stof,
geen dagelijkse misère;
`huis van de ziel' (niet van het lijf
dat eten
vraagt en slapen wil).
Jij die met woorden streelde
en met een komma
kussen kon,
die liefde woest inscheepte
in een witte enveloppe,
jij
knielde daar. En ik
blijf overeind, maar hoe?
`Niets is bij mij als
bij de mensen,'
schreef jij, en als een vlinder
vloog je op van elk druk
kruispunt.
Ontvleugeld
Renée van
Riessen
Steeds minder gevleugeld de woorden,
vertrouwd
met het brommen, het bonzen,
het schokken, maar niet met het schikken,
het
vallen van toeval, het wikken.
O Phaedrus, wat ben je ontvederd!
Zo
dicht bij het weten te leven
ontzet, zie je, alles ontvalt
en ontvallend
wordt het je vreemder.
Hoe wankel zijn steentjes geschikt,
valt een
ketting op weg naar de hemel:
een tedere stapeling tijds
op het graf van
de grote rabbi.
Moeder Gods (2)
(naar de icoon van de Moeder Gods met het teken)
Renée van
Riessen
Als de Moeder Gods haar palmen
biddend
naar de hemel opent
zie - twee vleugels staan geheven
op de hartslag
van haar handen
en geen hemelwezen waagt het
in azuur te blijven
baden:
naar de zware grijze aarde
wordt er blindelings gevallen
als de Moeder Gods haar palmen
opent in de donkere avond.
| home | tekenlog | schilderijen | ruimtelijk werk | grafiek | reprocitaat | kunst kolom | video/ audio | fotografie | tekeningen |
| contact |