
Middeleeuwse miniatuur
Wislawa Szymborska
Over de aller groenste heuvel,
in een hoogst bereden stoet,
In de zijdezachtste mantels.
Naar het slot met zeven torens
van welke elk de hoogste is.
Voorop rijdt de hertog,
loffelijks platbuikig,
en naast hem zijn hertogin
zo prachtig jong, zo allerjongst.
Achter hem de hofdames, een paar,
één voor één beeldschoon, voorwaar,
en dan de knechterigste knecht
en op zijn knechtenschouder
zit iets bovenmatig apigs,
hoogst komisch met zijn snuitje
en zijn staartje.
Daarna volgen meteen drie ridders,
en elk van hen doet o zo gewichtig,
en kijkt de een parmant,
dan lijkt de ander eer astrant
en wie een vosbruin ros berijdt,
berijdt de bruinste vos, o edele,
en het lijkt of alle hoefjes rakelings
de allerliefste madeliefjes scheren.
Personages droevig of bezorgd,
met ellebooggat of schelend oog –
daarvan ziet men generlei.
Enige burger-, boerenvraagstuk
onder deze meest azuren aller hemelen,
wordt allerminst beroerd.
De galgjes zijn te pieterig
zelfs voor het spitste arendsoog –
nergens een schimmetje van twijfel.
Heerlijk rijden ze hoogheerlijk
in hun feodaalste realisme.
Hetzelve evenwel bracht evenwicht:
hun hel stond klaar op ’t volgende tafereel.
Maar ach, dat was toch
oervanzelfsprekend.
Zie ook: Szymborska
- Byzantijns mozaïek, Szymborska -
Hiroshige, Szymborska - Rubens, Szymborska
- Bruegel.